vrijdag 9 januari 2015

De best waarschijnlijke, wonderbaarlijke kerstsaga.




 In het Zweeds heet een sprookje een saga. Het verhaal dat ik jullie nu ga vertellen is ‘De wonderbaarlijke kerstsaga’. We gaan ervoor naar het Midden-Oosten, ver — echt ver — terug in de tijd. Om heel precies te zijn begint dit sprookje op 25 december in het jaar 16 na Christus. Het Romeinse keizerrijk strekte toen tot diep in de woestijnen van het Midden-Oosten. Daar, tegen de helling van een heuvel in het noorden van de provincie Galilea, lag een stoffig dorpje met de naam Nazareth.

In dat dorpje woonde een jongen die zijn 16e verjaardag vierde, stomtoevallig op eerste kerstdag. Zijn naam was Jezus, en er was eigenlijk niet zoveel bijzonders over hem te vertellen. Net als alle andere jongens van zijn leeftijd ging hij naar school en hielp hij zijn vader graag in de timmerwerkplaats. Verder speelde Jezus het liefst met zijn vrienden. Hij hield van voetballen, vissen en kampeervakanties. Jezus had een hekel aan spruitjes, natuurkunde en Romeinen.

Eigenlijk is het niet leuk om juist met kerst jarig te zijn, bedacht Jezus. Iedereen is al zo druk met alle andere feesten dat je nooit dezelfde aandacht krijgt als mensen die bijvoorbeeld in april of september jarig zijn. Toch was het al best een leuke dag geweest. Zijn vader en moeder hadden hem wakker gemaakt met ontbijt op bed, en hij had een handgeschreven boek van ze gekregen over het boeddhisme. Daarna waren zoals altijd alle buren op visite geweest, behalve de vervelende buurvrouw die een paar keer de voetbal van Jezus had lekgeprikt nadat die per ongeluk bij haar in de achtertuin terecht was gekomen.

Oom Balthasar, oom Caspar en oom Melchior waren natuurlijk ook weer langsgekomen. Voor oom Melchior, die nu toch echt een dagje ouder werd, was het wel een hele reis op de kameel. Hij had bij de koffie een beetje over zijn rug geklaagd, maar Jezus merkte ook dat dit een uitje was waar zijn ooms het hele jaar enorm naar uitkeken.

“Voor mijn lievelingsneef!”, zei oom Balthasar toen hij Jezus zijn verjaardagscadeau overhandigde.

Eigenlijk kon Jezus al wel raden wat erin zat, want zijn ooms waren — om het zo maar eens te zeggen — weinig creatief met hun cadeautjes. Het goud had Jezus altijd zorgvuldig verstopt, met de mirre wist hij zich eigenlijk niet zo goed raad, en van de wierook had hij samen met zijn vrienden rookbommen gemaakt die ze dan op oudejaarsdag bij de vervelende buurvrouw door de brievenbus gooiden.

Volgens de Romeinse wet mochten jongeren in Galilea vanaf hun 16e op een ezeltje rijden. Jezus had van het goud dat hij door de jaren heen had gespaard een prachtig ezeltje gekocht in een hippe grijsbruine kleurencombinatie. Citta heette ze. Door alle drukte had hij nog geen tijd gehad om op haar te rijden, maar nu het laatste bezoek huiswaarts was gekeerd, besloot hij een rondje door het dorp te maken. Zelfs midden in de winter was het overdag nog aangenaam warm in Galilea en Jezus genoot van het ritje op Citta. Na een uurtje stopte hij bij het huis van zijn goede vriend Judas, die hij nog kende van de basisschool. Judas had ook een ezeltje, dat luisterde naar de naam Gilera. Ze was wel wat ouder en niet zo mooi als het ezeltje van Jezus. De vrienden omarmden elkaar en Judas feliciteerde Jezus met zijn verjaardag. Judas keek een beetje jaloers naar het prachtige ezeltje waarop Jezus was komen aanrijden.

“Mooi hoor, maar ik heb ergens gehoord dat die nieuwe modellen altijd problemen hebben met hun derailleur.”

“Oh”, zei Jezus, die eigenlijk niet zoveel verstand had van ezeltjes.

Ze zaten een poosje zwijgend in de avondzon op de veranda voor het huis. Plotseling zei Judas: “Wist je dat je ezels een stuk harder kunt laten lopen als je ze suikerriet voert?”

Jezus keek hem verbaasd aan: “Echt waar?”

“Ja joh”, vervolgde Judas, die een bosje suikerrietstengels tevoorschijn haalde. Gretig begonnen Citta en Gilera het riet op te eten.

Toen ze de laatste restjes naar binnen hadden geschrokt, stelde Judas voor om een rondje door het dorp te rijden. Het begon al een beetje te schemeren en het was druk op straat. Buren, vrienden en familie wensten elkaar in het voorbijgaan een prettig kerstfeest. Jezus en Judas lieten hun ezeltjes door de hoofdstraat draven en staken trots hun hand op naar alle bekenden die ze tegenkomamen.

“Harder!”, riep Judas, terwijl hij Gilera flink de sporen gaf.

Voor Jezus er erg in had, galoppeerden ze een buitenwijk in. Dat een ezeltje zo snel kon gaan! Zijn lange haar wapperde in de koele avondbries, en hij voelde zich intens gelukkig. Wat was dit een heerlijke dag!

In volle vaart namen ze op de grote rotonde de afslag richting Bethlehem. Daar werden ze ingehaald door een strijdwagen met twee Romeinse soldaten erin. De bijrijder stak dreigend zijn zwaard in de lucht en brulde: “Stoppen!”

In een wolk van stof kwamen ze allemaal tot stilstand op een parkeerplaatsje.

“Afstappen!”, beval de Romein met het zwaard.

Jezus en Judas voelden de bui al hangen. Ook de andere Romein kwam er nors bij staan: “Waar denken de jongelui precies mee bezig te zijn?”

“Sorry meneer”, stamelde Jezus, “we gingen inderdaad een beetje te hard.”

“Een beetje? Een beetje?”, blafte de ene Romein. “Als jullie willen galopperen dan wacht je maar tot je 18 bent en op een paard mag rijden.”

“Juist”, bromde de andere soldaat, “bovendien kunnen ezeltjes helemaal niet galopperen, tenzij je ze suikerriet voert natuurlijk, en dat is bij keizerlijk decreet ten strengste verboden.”

Judas wees naar Jezus en zei: “Het was zijn idee!”

Eén van de Romeinen haalde een notitieblok tevoorschijn: “Namen!”

“Jezus Christus”, zei Jezus.

“Ernst Hirsch Ballin”, zei Judas.

De Romeinen knikten even naar elkaar en toen zei de ene: “Nou, Jezus en Ernst, jullie staan genoteerd stelletje schavuiten. De volgende keer dat we jullie tegenkomen dan zwaait er wat. En nu wegwezen!”

Met hun ezeltjes aan de hand liepen Jezus und Judas terug het dorp in.

Die avond verzamelden de beste vrienden van Jezus zich in de herberg op het dorpsplein van Nazareth om zijn verjaardag te vieren. Ze vormden al jaren een onafscheidelijk viertal: Thomas, Petrus, Judas en Jezus. Het werd een memorabele afsluiting van wat toch al een heerlijke dag was geweest. Jezus trakteerde zijn vrienden op appelsap en aardbeientaart.

“Nu we toch allemaal een ezel hebben, zou het dan niet leuk zijn om eens samen op vakantie te gaan?”, stelde Petrus voor.

Zijn vrienden knikten instemmend.

“Maar waar wil je dan naartoe?”, vroeg Thomas.

Even was het stil.

“Ik heb wel goede verhalen gehoord over Lapland”, zei Jezus ineens.

Het kostte hem weinig moeite om zijn vrienden te overtuigen. Ze hieven de glazen en riepen: “Op naar Lapland!”

Een week later was de dag van vertrek aangebroken voor de jongens. Allemaal hadden ze hun ezeltjes bepakt en bezakt met kampeerspullen. Voor het eerst trokken ze samen de wijde wereld in, zonder vaders of moeders. Wat een avontuur! De eerste dagen van de reis genoten ze met volle teugen van het vrije leven. Ze overnachtten op de meest fantastische plekken en vertelden elkaar spannende verhalen bij het kampvuur. Het landschap was adembenemend mooi en de wegen waren goed begaanbaar. Al snel arriveerden ze in Anatolië, een gebied dat nu Turkije heet.

“Hoe vinden we Lapland eigenlijk?”, vroeg Judas op een dag.

Daar moesten ze even over nadenken.

“Krijgen die ooms van jou niet altijd hulp van de een of andere ster als ze bij je op visite komen?”, vroeg Judas.

“Ja joh”, zei Jezus, “we moeten alleen even weten welke ster we moeten volgen, het zijn er zo veel.”

“Mag ik wat zeggen?”, klonk er ineens een vreemde stem.

De vrienden keken om en zagen een kleine gele beer met een rood truitje langs de weg staan.

“Met wie hebben we het genoegen?”, vroeg Petrus.

Het beertje keek hem lang aan en zei toen: “Ik ben maar een beer met een klein beetje verstand en van lange woorden raak ik in de war. Oh, en mijn naam is Winnie. Winnie de Poeh.”

“Ben je verdwaald?”, vroeg Jezus.

“Ik ben niet verdwaald, want ik weet waar ik ben, maar misschien is waar ik ben wel verdwaald”, antwoordde Winnie de Poeh.

“Nou, beste beer zonder verstand, wij moeten weer verder, want wij gaan naar Lapland”, zei Judas, die zich al omdraaide om weg te rijden.

“Juist”, zei Winnie, “daar kom je voorbij op weg naar de noordpool. Dan moet je de poolster volgen. Dat weet ik want ik ben er geweest. Op de noordpool bedoel ik.”

Jezus vroeg of Winnie de Poeh soms met hen mee wilde reizen. Dat wilde de kleine beer wel. Met een beetje moeite klom hij bij Jezus achterop de ezel.

“Moet hij echt mee?”, vroeg Judas.

“Ja”, antwoordde Jezus, “hoe meer zielen, hoe meer vreugd, en bovendien kan hij ons helpen de weg te vinden naar Lapland.”

“Godverdomme”, mopperde Judas, “ik wist trouwens niet eens dat beren konden praten!”

Vanachter Jezus' rug klonk de stem van Winnie de Poeh: “Er zijn wel mensen die met dieren praten, maar er zijn weinig mensen die naar dieren luisteren, dat is het probleem.”

Met z'n vijven trokken ze verder richting het noorden. Het viel hen op dat het langzaam frisser begon te worden en ’s nachts kropen ze steeds dieper onder hun schapenvellen. In Galilea waren ze maar twee seizoenen gewend: de droge periode en de gortdroge periode. Hun geboortegrond bestond vooral uit woestijn en het was er altijd warm. Toen ze in het land van de Goten kwamen begon het echt groen te worden; zoveel bomen hadden de vrienden nog nooit bij elkaar gezien. En zo groot ook! Alsof ze tot in de hemel reikten. Ze waren toch al zeker een maand van huis, toen ze op een middag zaten te picknicken bij een grote beuk. In de verte zagen ze drie figuren aankomen: een klein kereltje met een gele snor, een grote vent met rode vlechtjes in zijn haar en een wit hondje dat vrolijk vooruit huppelde. Even later stopten de vreemdelingen bij de beuk waar de vrienden zaten.

Die met de rode vlechtjes lijkt eigenlijk best wel op Gérard Depardieu, dacht Thomas, die dat natuurlijk helemaal nog niet kon weten. Wat is die grote verschrikkelijk dik, dacht Jezus. Maar zijn ouders hadden hem wel zo netjes opgevoed dat hij beleefd besloot om er zijn mond over te houden.

“Man, wat ben jij dik”, zei Judas.

De reus met de rode vlechtjes trok een verbaasd gezicht en drukte zijn wijsvinger in zijn bolle buik: “Dik?”, vroeg hij geïrriteerd, “ik ben niet dik, hooguit… een beetje gezet!”

Jezus probeerde de gemoederen wat tot rust te brengen en stak his hand uit naar de twee vreemdelingen. “Mijn naam is Jezus Christus.”

Het kleine mannetje schudde hem de hand en zei: “Aangenaam, ik ben Asterix de Galliër.”

Met duidelijke tegenzin deed nu ook de reus een stapje naar voren en stak zijn enorme knuist uit: “Obelix”, bromde hij met een norse blik op Judas.

De avond viel al vroeg in dit deel van de wereld en ze besloten met z'n allen te kamperen aan de oever van een meertje. Het werd al snel gezellig omdat Obelix een everzwijn tevoorschijn toverde dat ze bij een kampvuur braadden en met elkaar deelden. Asterix vertelde prachtige verhalen over al zijn reizen. Jezus deed ook een duit in het zakje door de dag te beschrijven waarop hij samen met Judas bijna was gearresteerd door de Romeinen omdat ze te hard hadden gereden op hun ezeltjes.

“Rare jongens die Romeinen”, zei Obelix.

“Ja, dat vinden wij nou ook”, antwoordde Jezus.

Zonder dat ze het verder met elkaar hoefden te overleggen, besloten ze allemaal om samen verder te reizen. Die avond viel het hele gezelschap moe maar voldaan in slaap onder een adembenemende sterrenhemel. De poolster schitterde het helderst van allemaal.

Een maand later waren ze midden in het land van de Noormannen. Ze maakten er een boottocht op een drakenschip en logeerden bij oude bekenden van Asterix en Obelix. Iedereen genoot met volle teugen van het indrukwekkende landschap. De lente was aangebroken maar er lag overal sneeuw, iets dat Jezus en zijn vrienden nog nooit van hun leven hadden gezien. Natuurlijk kon een sneeuwballengevecht niet uitblijven. Het begon met Judas die een grote klodder natte plaksneeuw in de nek van Obelix mikte.

Obelix draaide zich woedend om en vroeg: “Wie was dat?”

Judas wees meteen naar Winnie de Poeh en zei: “Die kleine daar!”

Al snel vlogen de sneeuwballen over en weer, iedereen deed mee. Thomas raakte Petrus vol op z'n smoel en Asterix wist met een prachtig boogje een sneeuwbal op het hoofd van Jezus te krijgen. Winnie maaide met zijn pootjes dikke wolken stuifsneeuw in de richting van iedereen die bij hem in de buurt kwam. Obelix tilde een hele iglo boven zijn hoofd die hij toevallig ergens zag staan en hij was net van plan om die bovenop Judas te mikken toen Asterix riep: “Ho vriend! Zo is het mooi geweest!”

Ze lieten zich allemaal lachend op hun rug in de sneeuw vallen om uit te blazen.

Net toen ze weer op pad wilden gaan landde er een witte gans bij het gezelschap.

“Sorry, kunnen jullie me helpen?”, vroeg de gans.

“Een pratende gans, het moet niet gekker worden!”, riep Thomas uit.

Winnie de Poeh liep op de gans af en vroeg vriendelijk waarmee hij kon helpen.

“Er zit een vos achter ons aan en we zijn een beetje bang”, klonk het.

Ook de anderen kwamen om de gans heen staan.

“Zeg”, zei Jezus ineens, “er zit een klein mannetje op zijn rug, met een rood mutsje.”

“Tjongejonge”, zei het kleine mannetje dat op de rug van de gans zat, “natuurlijk praat mijn gans niet met jullie. Een gans die met grote mensen praat? Zoiets raars heb ik nog nooit gehoord! Mijn naam is Nils trouwens, Nils Holgersson. Ik ben op weg naar Lapland maar ik ben mijn andere ganzenvrienden kwijtgeraakt.”

“Nou”, zei Jezus, “dat geeft niets, dan reis je toch gewoon met ons mee!”

“Gáhk! gáhk!” deed de gans.

“Wat zegt hij?”, vroeg Winnie de Poeh.

Nils vertaalde voor het gezelschap dat de gans erg moe was en het geen onaantrekkelijk vooruitzicht vond om verder te reizen op de rug van een ezel.

“Geen onaantrekkelijk vooruitzicht”, mompelde Winnie de Poeh, “het is toch echt een stuk leuker om te praten met iemand die geen lange, ingewikkelde woorden gebruikt, maar korte, makkelijke woorden, zoals: heeft er iemand zin om wat te eten?”

Not veel later zaten ze allemaal om een kampvuur brood te eten met zalm die Petrus in een rivier gevangen had: Asterix en Obelix, het hondje Idefix, Thomas, Petrus, Judas en Jezus, Winnie de Poeh, de witte gans, vier ezels en Nils Holgersson.

“Wat een bont gezelschap”, zuchtte Thomas, “het is echt ongelooflijk.”

Bijna vier maanden nadat ze waren vertrokken uit Galilea, arriveerden de vier vrienden en hun medereizigers in Lapland. Op aanraden van de lokale bevolking wandelden ze door naar een klein dorpje met de naam Tjautjasjaure, dat erg mooi moest zijn. Er lag nog een dik pak sneeuw, maar gelukkig was het overdag niet zo koud. Tenminste, niet zo koud dat de ezeltjes ’s ochtends niet op gang wilden komen, maar toch echt vééél kouder dan de vier jongens uit Galilea ooit hadden meegemaakt. Eenmaal in Tjautjasjaure worden ze hartelijk ontvangen door de dorpsbewoners, die allemaal in houten huisjes woonden bij een groot meer. De huisjes waren geschilderd in vrolijke kleurtjes: geel, blauw, roze en vooral ook veel rood.

Het hele reisgezelschap mocht logeren bij Deuntje Driftsäker, een jonge man die viool speelde en die in een klein huisje woonde aan de rand van het dorp. Deuntjes huis was echt piepklein en bestond eigenlijk maar uit één kamer, met in het midden een houtkacheltje. Gelukkig had de vioolspeler ook nog een gastenverblijf met stapelbedden, waar twintig mensen konden overnachten. Naast het gastenverblijf was een sauna en daar hadden de reizigers noch nooit van gehoord. Deuntje liet hen zien hoe je een vuurtje maakt in de sauna en dan water op de stenen gooit om het lekker warm te maken.

De mensen in Tjautjasjaure hadden nog wel meer bijzondere gebruiken, die helemaal nieuw waren voor het reisgezelschap. Ze zeiden bijvoorbeeld gewoon ‘nee’ als ze ‘nee’ bedoelden, maar als ze ‘ja’ bedoelden dan zeiden ze geen ‘ja’. In plaats daarvan deden ze zo: “Sssst.”

Ze zeiden dat dat was omdat het altijd zo koud is in Lapland en je moet zorgen dat je de warme lucht in je longen niet kwijtraakt. De dorpsbewoners aten het liefst aardappels met rendiervlees of elandvlees en bosbessenjam. En de reizigers leerden ook dat mensen in Lapland nooit vragen hoe oud je bent, want dat vinden ze een beetje onbeleefd. In plaats daarvan vragen ze: “Van welk jaar ben jij?”

Voor Jezus was die vraag altijd makkelijk te beantwoorden omdat hij toevallig van een jaar was dat iedereen goed kon onthouden.

Op een dag, net na een ontbijt van boterhammen met bosbessenjam, vroeg Deuntje aan zijn gasten of ze geen zin hadden om te gaan wandelen. Het had een poosje gedooid, maar nu vroor het weer een beetje, en de sneeuw knarste onder hun voeten.

“Goh”, zei Petrus, “het water in het meer ziet er helemaal niet uit zoals het water bij ons thuis in Nazareth.”

“Dat komt omdat het ijs geworden is”, verklaarde Deuntje.

“IJS?”, vroeg het hele gezelschap in koor.

“Ja”, zei Deuntje, “het is nog steeds water, maar dan heel koud en keihard. Je kunt er zelfs op lopen.”

“Ik geloof er niets van”, zei Thomas.

Jezus zei dat hij dat dan wel eens wilde proberen. “Wie durft er met me mee?”, vroeg hij.

“Mij niet gezien!”, riep Judas.

Ook de anderen deden een stapje achteruit. Jezus liep door de sneeuw naar de oever van het meer en zette voorzichtig zijn voet op het water. En toen ook zijn andere voet. Hij deed langzaam een stapje, en nog een stapje, en nog één, totdat hij echt midden op het meer stond. Onder zijn sandalen zag hij vissen zwemmen. Zijn vrienden stonden vol verbazing toe te kijken vanaf de kant. Alleen Petrus wilde het ook eens proberen en liep naar de waterkant.

“Voorzichtig!”, riep Deuntje nog, “het ijs is daar erg dun!”

Maar het was al te laat. Met een kraak en een plons verdween Petrus tot aan zijn middel in het koude water. Jezus rende naar Petrus om hem te helpen en samen met Deuntje trokken ze de bibberende Petrus op het droge. “Snel naar de sauna!”

Even later zaten Thomas, Petrus, Judas en Jezus in de snikhete sauna. Deuntje had glaasjes glögg voor ze ingeschonken: een warm drankje waar een beetje alcohol in zit en waar je lijf helemaal blij van wordt, vooral als je net in ijskoud water bent gevallen. Petrus voelde zich al snel beter.

“Hé, mijn glaasje is leeg, en ik had er nog helemaal niets van gedronken”, zei Thomas.

“Dat is raar”, zei Jezus, “mijn glaasje is ook leeg.”

“Heejl vrjeemd”, zei Judas, die al behoorlijk dronken begon te worden.

Een poosje zaten de vier vrienden in de warme sauna voor zich uit te kijken. Vanuit het gastenverblijf klonk vioolmuziek en een liedje dat werd gezongen door Winnie de Poeh, Nils Holgersson, Asterix en Obelix.

“Nu hebben we in ieder geval één vriend die over water heeft gelopen”, zei Petrus tegen Jezus.

“Djit isj egjt eejn bjijzondjere rjeis”, zei Judas.

“Ja, ongelooflijk”, zei Thomas, “je zou er een boek over kunnen schrijven.”

“Misschien...” zei Petrus, “...ga ik dat nog wel eens doen.”

dinsdag 22 januari 2013

Mesonychoteuthis-hamiltoni

Spannend nieuws voor iemand die er als kind van droomde om in de voetsporen van Jacques-Yves Cousteau te treden en mysterieuze diepzeedieren te filmen. Japanse onderzoekers zijn er namelijk in geslaagd om een levende reuzeninktvis op de gevoelige plaat vast te leggen. Dat is dus het kleine neefje van de kolossale inktvis, waar dit blog haar naam aan dankt. Die kolossale inktvis zal trouwens nog wel even buiten het bereik van de camera's blijven, al staat het bestaan ervan inmiddels onomstotelijk vast:

"Unlike the giant squid, whose arms and tentacles only have suckers lined with small teeth, the colossal squid's limbs are also equipped with sharp hooks: some swivelling, others three-pointed. Its body is wider and stouter, and therefore heavier, than that of the giant squid."

Ergens op de wereld loopt nu vast een jongetje of een meisje rond dat ervan droomt om de eerste te zijn die een kolossale inktvis filmt. Ik hoop dat die droom werkelijkheid wordt en ik verheug me al op de beelden.


The Kraken

Below the thunders of the upper deep;
Far far beneath in the abysmal sea,
His ancient, dreamless, uninvaded sleep
The Kraken sleepeth: faintest sunlights flee
About his shadowy sides; above him swell
Huge sponges of millennial growth and height;
And far away into the sickly light,
From many a wondrous grot and secret cell
Unnumber'd and enormous polypi
Winnow with giant arms the slumbering green.
There hath he lain for ages, and will lie
Battening upon huge seaworms in his sleep,
Until the latter fire shall heat the deep;
Then once by man and angels to be seen,
In roaring he shall rise and on the surface die.

Alfred, Lord Tennyson

woensdag 19 december 2012

Wereldkampioen

Dinsdag 18 december - Maandag 24 december 2012

Het gevoel van de kerst (KRO)


In iedere aflevering wordt o.m. verslag gedaan van het wereldkampioenschap voor Kerstmannen in Lapland. Lukt het de Brabantse titelhouder Stefan Veroude dit jaar opnieuw om zijn collega-kerstmannen uit de hele wereld te overtroeven?
Hij is in ieder geval supergemotiveerd.
Om met zijn postuur als kerstman nog meer te overtuigen, kwam hij ter voorbereiding op het WK maarliefst tien kilo aan. Stefan: “Ik ga wéér voor goud!”

Bekijk de afleveringen hier.

zondag 23 oktober 2011

Financiële crisis

zaterdag 26 februari 2011

Arctic Balloon Adventure



Wat er aan het evenement vooraf ging

Ton Curvers (Hoensbroek, European Balloon Company) heeft overal waar het maar kan op de wereld ballongevaren. En waar het eigenlijk niet kan soms ook. Al in 1977 introduceerde hij de activiteit op commerciële basis in Nederland; hij kan dus gerust de nestor van de Nederlandse ballonvaart worden genoemd. Later begon hij in andere landen, zowel binnen als buiten Europa, met het organiseren van ballonvaartprojecten en ballonfestivals. Een jaar of zes geleden was Hendrik Ten Cate (Almelo, eigenaar van Easy Event in Duitsland) op zoek naar een expert om een luchtballonevenement te realiseren in Fins Lapland. Ten Cate en Curvers sloegen de handen ineen en verzorgden vier jaar lang het International Arctic Balloon Adventure, in de buurt van de Finse stad Levi. Dit jaar werd het evenement voor het eerst gehouden in Zweeds Lapland.

De vijfde editie: Arctic Balloon Adventure 2011

Er zijn 15 teams uit 8 verschillende landen: Duitsland, Nederland, België, Zwitserland, Japan, Zweden, Frankrijk en Italië. De animo in Nederland om aan het evenement deel te nemen is kennelijk groot; er zijn maarliefst vier Nederlandse delegaties. Ieder team bestaat uit minimaal één piloot en drie man grondpersoneel. In totaal telt de groep ongeveer 70 deelnemers. Sommige teams beschikken zelfs over drie piloten die elkaar kunnen afwisselen. Voor het grondpersoneel, dat in praktijk ook regelmatig meevaart, is ervaring mooi meegenomen maar geen vereiste. Het belangrijkste is de chauffeur voor de volgauto, bovendien zijn wat helpende handen bij het opbouwen en inpakken van de ballon natuurlijk mooi meegenomen. In totaal doen er 16 ballons mee aan het evenement en onder de 28 deelnemende piloten bevinden zich 7 vrouwen.

Voor geïnteresseerden is er de mogelijkheid om een ticket te kopen en mee te varen. Bij aanvang van het evenement staan er ruim tachtig mensen op de passagierslijst. Nog eens vijftig plaatsen zijn gereserveerd voor sponsoren en pers. De Duitse ZDF en het Limburgse tv-station L1 hebben zelfs eigen luchtballons naar Lapland gestuurd. Veel van de deelnemers zijn ‘broodpiloten’; zij verdienen de kost met ballonvaren. Hun staat van dienst is indrukwekkend, menigeen heeft prijzen gewonnen bij wedstrijden en er zijn meervoudige landskampioenen in ballonvaren bij. Ook aan het Arctic Balloon Adventure is een wedstrijdelement verbonden. Dagelijks wordt er een plek gemarkeerd waar zo dicht mogelijk bij geland dient te worden. Vooral de Nederlandse piloten slagen daar goed in, wat uiteindelijk resulteert in een oranje onderonsje tussen Leon Kurstjens (Montfort) en Jan Oudenampsen (Exel), dat in het voordeel van de Achterhoeker wordt beslecht.

Landschap

Ballonvaren in Lapland is vooral uniek vanwege het uitgestrekte en ongerepte landschap. Slechts af en toe wordt de stilte doorbroken door het geluid van de branders, verder is het voor de passagiers een bijna surrealistisch gebeuren; zwijgend uitkijkend over de besneeuwde bossen en bevroren meren, met af en toe pal onder de mand een kudde rendieren of een eland. Het geeft een enorm gevoel van vrijheid en bovendien is het een prachtige mogelijkheid om de anders nogal ontoegankelijke natuur te beleven. Hoewel er (met behulp van zuurstofmaskers) tot op elke hoogte gevaren kan worden, zullen extreme hoogtes in Lapland niet worden bereikt. De hoogste ‘berg’ die tijdens het evenement wordt overgestoken is Dundret, en die vormt met zijn 823 meter voor de ballonvaarders weliswaar een pittoreske attractie, maar geen noemenswaardig obstakel. Jan Oudenampsen, die vroeger melkveehouder was, bevestigt meermalen het cliché van de boer als onfeilbare weersvoorspeller. Op een van de laatste dagen wordt tijdens de briefing druk gediscussieerd over de lage temperatuur. Iemand zegt aan de voet van Dundret al -42°C te hebben gemeten. De beamer projecteert windsnelheden op een scherm, overal lichten de schermen van laptops op met tabellen vol lokale temperaturen. Wordt er wel of niet gevaren? Oudenampsen staat zonder muts voor het hotel een shagje te roken, als een andere deelnemer hem naar zijn mening vraagt over de situatie. Even is het stil. Na een goedkeurende blik op de strakblauwe hemel klinkt het met onmiskenbare Achterhoekse tongval: “Nou, wat mij betreft gaan we”. Die dag levert één van de mooiste vaarten van het evenement op.

Wennen

De hele onderneming verloopt voorspoedig, al is het de eerste dag nog een beetje wennen, vooral voor de piloten die nooit in Lapland hebben gevaren. Ten Cate waarschuwt van te voren het grondpersoneel dat hij op de eerste dag ‘alle hens aan dek’ wil hebben. Het probleem zit hem voor de piloten vooral in het vinden van een goede landingsplaats. Door het dikke pak sneeuw is van bovenaf bezien niet alles wat het lijkt. Rivieren en meren die zijn bedekt met ijs en sneeuw, kunnen ideale startplaatsen en landingsplaatsen vormen, mits je er van op de hoogte bent waar het ijs betrouwbaar is. De ballonnen komen de eerste dag dan ook wijd verspreid neer. Wiep Keikes heeft zijn mand knap geparkeerd naast een voetpad, net voorbij een begraafplaats. Door de dikke laag sneeuw is zelfs op de begane grond niet te zien dat er zich grafzerken onder bevinden. “Van boven leek het wel een mooi stekkie”, zegt Keikes met een brede lach, “maar op de kaart had ik al gezien dat het een kerkhof is, dus we zijn even een stukje verder gevaren”.

Briefing

Iedere ochtend om 8.00 uur vindt er een briefing plaats waarbij vooral naar het weer wordt gekeken. De wind (te veel of te weinig) kan roet in het eten gooien, net als te koude temperaturen. De essentiële en zeer gedetailleerde meteorologische gegevens worden iedere ochtend geduid door Per Helmertson, een Zweedse ballonvaarder en oude rot in het vak. Zodra de beslissing is genomen om te gaan varen worden de betalende passagiers geïnformeerd. Om 10.00 verzamelt iedereen zich op een afgesproken plek, waarna nog eens naar de weersomstandigheden wordt gekeken. Dan wordt de startlocatie bekend gemaakt en zet de karavaan zich in beweging, op kleine landweggetjes soms verbaasd nagestaard door een eenzame voorbijganger.

Voorafgaand aan het evenement was de verwachting dat er van tien dagen ongeveer de helft gevaren kon worden. Er werd uiteindelijk acht dagen varen; slechts twee keer sneeuwde het, en werd er dus besloten om op de grond te blijven. Later in de week dreigde de kou nog een spelbreker te worden. Bij de briefing ’s ochtends kwam het kwik soms niet boven de -40°C, en afgesproken was om het dan voor gezien te houden. De ervaring leert echter dat het wat later op de dag altijd iets warmer wordt en de beslissing om al of niet te varen werd bij twijfel uitgesteld naar de meeting van 10.00uur. Niet iedereen kon zich daarin vinden. Het Zweedse team bleef één keer aan de grond bij -35°C omdat ze het te gevaarlijk vonden. Dat gevaar zat hem volgens hen niet in de vaart zelf, maar vooral in de periode na de landing. Er bestaat altijd de kans dat je terechtkomt op een moeilijk bereikbare plek, en om nu na een toch al frisse vlucht nog eens een paar uur buiten te moeten doorbrengen… Leon Kurstjens had daar een charmante oplossing voor gevonden. Meteen na iedere landing toverde hij een pannetje tevoorschijn waarmee hij op de brander van de ballon soep klaarmaakte voor de passagiers.

Lage temperaturen

De kou heeft ook voordelen. Een luchtballon werkt volgens het simpele principe dat warme lucht lichter is dan koude lucht. Hoe groter het verschil tussen de temperatuur in de ballon en de buitenlucht, hoe sneller de ballon stijgt. In een erg warme omgeving moet dus flink gestookt worden om het noodzakelijke verschil met de buitenlucht te creëren. Het winterse Lapland biedt de mogelijkheid om zeer energiezuinig te varen. Bij de minste opwarming door de branders is het verschil al zo groot dat de ballon meteen omhoog wil. Een ballon kan ‘gestuurd’ worden door hem te laten stijgen of dalen, omdat het niet op alle hoogtes in dezelfde richting waait. Van tevoren wordt vastgesteld wat grofweg de windrichting is, en daarna komt het aan op de kunde van de piloot om zo goed mogelijk gebruik te maken van de subtiele verschillen in windrichting op de diverse hoogtes. Op sommige dagen landden alle ballons dicht bij elkaar, wanneer er meer wind stond kwamen ze vaak verder verspreid neer.

Lapland Airport

De vijfde dag begint met zuidoostelijke wind, en de piloten wijzen een bevroren meer aan als doel om te landen. Al snel na de start wordt echter duidelijk dat de wind een beetje is gedraaid en dat het meer geen haalbare kaart is. Voorafgaand aan het evenement is bij Lapland Airport toestemming gevraagd om daar in noodgevallen te mogen landen. Die toestemming werd indertijd enthousiast verleend, maar als dan een kwartier voor de landing ineens over de radio gemeld wordt dat er vijftien ballonnen in aantocht zijn, gaat het wel erg snel voor het luchthavenpersoneel. De eerste mandjes zijn al neergestreken op de landingsbaan als een licht nerveuze stem over de radio meedeelt dat er binnen 45 minuten een vliegtuig uit Stockholm zal arriveren. De vluchtverkeersleiding verzoekt de luchtballonnen die nog boven het vliegveld hangen om verder te varen, zodat de landingsbaan vrij gemaakt kan worden. Met vereende krachten wordt alles ingeladen en als de vlucht uit Stockholm landt, kan in het vliegtuig niemand vermoeden dat er kort daarvoor nog een stel kleurrijke luchtballons op de landingsbaan stonden.

Wat maakt dit nou zo bijzonder?

Ballonvaren boven de poolcirkel spreekt onder meer tot de verbeelding vanwege de lange en bewogen geschiedenis die eraan is voorafgegaan. De eerste pogingen om de Noordpool te bereiken werden bijvoorbeeld vaak ondernomen met luchtballons. Daar waren beroemde ontdekkingsreizigers bij betrokken, zoals Amundsen, Ellsworth, Andree en Nobile. Natuurlijk zou tegenwoordig iedereen in de zomer met een luchtballon op een aanhanger naar Lapland kunnen rijden om daar een vaart te maken. De weersomstandigheden in Lapland zijn ‘s zomers vergelijkbaar met Nederland. Waar wel rekening mee moet worden gehouden zijn de uitgestrekte Nationale Parken en natuurgebieden. Je kunt daar niet landen omdat het óf verboden is, óf zo ontoegankelijk dat je de ballon er alleen nog met een helikopter weg krijgt. Voor een ervaren piloot is dat trouwens geen onoverkomelijke hindernis, het vergt slechts een goede planning. In de winter wordt het een heel ander verhaal. Dan is ballonvaren in Lapland een stuk uitdagender, en dat is natuurlijk ook de reden dat het International Arctic Balloon Adventure in de winter plaatsvindt.

Om vijftien luchtballonnen acht dagen in de lucht te houden is ongeveer 8.000 liter propaan nodig. Dat is in de regio beslist niet op elke straathoek verkrijgbaar. Bij koude temperaturen wil propaan bovendien minder goed door de leidingen stromen en dan wordt er stikstof gebruikt om de druk te verhogen. Ook stikstof moet dus vooraf besteld worden. Dan zijn er nog allerlei kleine hindernissen die toch grote gevolgen kunnen hebben. Voor de volgauto heb je winterbanden nodig, liefst met spikes. Ook een zogenaamde ‘motorwarmer’ is aan te raden.

Varen onder extreme omstandigheden

Moderne branders van luchtballons zitten degelijk in elkaar, maar bij temperaturen onder de -25°C kunnen kleppen en ventielen vastvriezen, rubberen afsluiters worden bikkelhard en onbetrouwbaar. Bijna iedere ochtend was er wel ergens een brander die bij de routinecontrole ‘op hol’ sloeg. De leidingen zijn dan zo bevroren dat je de brander niet meer uit krijgt. Een piloot die het euvel trachtte te verhelpen door een ventiel warm te blazen, zat meteen met zijn lippen vast aan het metaal. De passagiers (grotendeels lokale bevolking) bekeken het allemaal geamuseerd. De meeste hebben het zelf al eens meegemaakt bij het repareren van een auto of een sneeuwscooter.

Een andere hindernis, die vaak over het hoofd wordt gezien, is de landing. Menig ballonpiloot kwam er na een zachte landing in de sneeuw achter dat je bij het uitstappen tot aan je middel in het poeder verdwijnt. Alleen al het opruimen van de ballon (de ‘enveloppe’ in vakjargon) wordt een hels karwei wanneer je door de diepe sneeuw moet ploegen. Bij -35°C wil je bovendien ook niet al te lang hoeven wachten op transport naar huis. Voor het evenement dit jaar was een team met sneeuwscooters en sledes gecharterd dat alle ballonpassagiers van moeilijk bereikbare plekken kon ophalen. Met radio’s en mobiele telefoons werden de landingslocaties gemeld zodat de repatriëring centraal kon worden gecoördineerd.

Een zesde editie?

Al met al was iedereen erg tevreden. Voor de veteranen was het Arctic Balloon Adventure in Lapland een feest van herkenning, voor de nieuwkomers was het een onvergetelijke ervaring. De lokale bevolking reageerde ook enthousiast op het initiatief en heette de ballonvaarders van harte welkom. Het ziet er dus naar uit dat het evenement in 2012 opnieuw zal plaatsvinden, op dezelfde locatie.

zondag 31 januari 2010

View from the train station in Porjus



dinsdag 24 februari 2009

Northern Lights Festival


Patricia organiseert dit jaar het eerste ‘Noorderlicht festival’ in Porjus, met de bedoeling om mensen bij elkaar te brengen die op de een of andere manier in het noorderlicht geïnteresseerd zijn. Helaas kan ik het festival niet bijwonen omdat ik op zaterdag andere afspraken heb, en het is toch bijna drie uur rijden naar Porjus. ’s Middags belt Patricia me met de vraag of ik geen zin heb om later die avond bij het buffet in het Laponiahuis aanwezig te zijn. Daar had ze me al eerder voor uitgenodigd, maar ik had toen besloten om niet te gaan omdat ik het festival toch niet bij kon wonen. Patricia vindt dat duidelijk geen enkel bezwaar en zegt:“Volgens mij moet je gewoon langskomen, het is een select gezelschap…ik denk dat je het erg leuk zult vinden…”

Lapland buffet

Meer om Patricia een plezier te doen dan omdat ik er zelf zo’n zin in heb, rijd ik met hoge snelheid naar Porjus, om precies op tijd te arriveren voor het buffet. Er hebben zich ongeveer twintig mensen verzameld, waarvan ik er maar weinig ken. Waarschijnlijk hebben deze mensen zich vandaag allemaal al uitgebreid voorgesteld en presentaties gegeven. Ik vind het vervelend dat ik nu niet weet wie ze zijn, en vooral waarom ze hier zijn. De kok is druk bezig om de laatste hand te leggen aan het buffet, dat er werkelijk geweldig uitziet. Hem ken ik trouwens wel. Het is een vrolijke man met een kogelronde buik en een Bourgondische kop, voor wie voedsel de raison d’être is. Hij woont in Porjus en we hebben elkaar wel eens ontmoet bij vergaderingen van de schietclub. Volgens mij is hij de voorzitter van de jacht-en visvereniging. Zijn hoofd is rood aangelopen van de drukte, maar hij kijkt met een brede lach op zijn gezicht naar het buffet en is duidelijk tevreden over het resultaat van zijn inspanning. Wanneer we ons naar de tafels begeven herken ik ook een Japanner die samen met zijn collega’s een onderzoeksstation voor noorderlicht in Porjus heeft gebouwd. Dat station bestaat uit diverse camera’s en meetinstrumenten die in Tokyo bediend en afgelezen kunnen worden.

Zodra we allemaal plaats hebben genomen aan de tafels, die in een vierkant staan opgesteld, legt de kok uit wat er vandaag op het menu staat. Omdat er zoveel buitenlandse gasten zijn is er gekozen voor typisch Lapse specialiteiten. Natuurlijk zijn er verschillende soorten lokale vis; zalm, forel, röding, gemarineerd, koud gerookt, warm gerookt. Er zijn allerlei gerechten met rendiervlees en elandenvlees, er liggen crackers met diverse soorten kaviaar en er staan pastasalades met lokale bessen en kleine Lapse aardappels. Aan het eind van het buffet staan schalen met rendierrosbief, gemarineerde zeehond en walvisvlees. Om het internationale karakter van dit diner nog eens te benadrukken vraagt de ceremoniemeester ons om achtereenvolgens in onze eigen taal een toast uit te brengen. We beginnen bij het land dat het verst bij Lapland vandaan ligt:”Kampai! À la votre! Proost! Cheers! Budem zdorovy! Na zdrowie! Kippis! Skál! Skål!"

Gemengd gezelschap

Links van mij zit een vrouw die me vraagt of ik degene ben die de Vasaloppet heeft volbracht. Ik ken haar niet en ik stel me aan haar voor. Ze vertelt dat ze een paar jaar geleden van Zweden naar Nederland is verhuisd, waar ze nu als woordvoerster werkt voor de Europese ruimtevaartorganisatie ESA. Er zijn hier veel mensen die op een wetenschappelijke manier met het noorderlicht bezig zijn. Rechts van me zitten een paar oudere vrouwen die, zo maak ik uit hun gesprek op, werken voor Esrange, het lanceerplatform bij Kiruna.

Verder zijn er veel buitenlandse kunstenaars die in Porjus werk tentoonstellen dat het noorderlicht als thema heeft. Een oude vrouw in klederdracht heeft vandaag uitgelegd welke rol het noorderlicht speelt in de cultuur van de Samen. Eén van de weinige genodigden die ik zelf ken is de Pool Andrej, die al jaren in deze contreien rondzwerft. Niemand weet waar hij woont, maar Björn heeft me wel eens verteld dat Andrej aan het begin van iedere winter met een grote stapel boeken op een slee de bossen van Muddus in trekt. Ver buiten de gebaande paden staat een oud hutje waar hij de winter doorbrengt. Andrej is min of meer bekend omdat hij prachtig kan zingen en vooral ook omdat hij soms spontaan (en dus volkomen onverwacht) een lied aanheft.

Volgens mij is Andrej bioloog, maar helemaal zeker ben ik daar niet van. Af en toe duikt hij op in Jokkmokk of in Porjus, waar hij met zijn lange haar en zijn wilde baard een opvallende verschijning is. Voor deze gelegenheid draagt hij een groen legerjasje, een joggingbroek en sandalen. Andrej trekt zich meestal stilletjes terug achter de kantlijn van een feest, maar eenmaal op dreef kan hij ook prachtige verhalen vertellen, vol scherpe en humoristische beschouwingen. Als ik hem in het Laponiahuis aanspreek merk ik meteen dat hij niet zo happy is. Andrej denkt tergend lang na over mijn simpele vraag of het goed met hem gaat en zegt dan met de lach van een boer die kiespijn heeft:”Ach, soms gaat het goed en soms gaat het minder goed…alles weegt hier zwaarder dan in de ruimte”

Ruimtevaarder

Opeens gaat een man, die Engels spreekt met een Frans accent, op de open plek te midden van de tafels staan. Hij bedankt ons voor de interessante dag en begint dan te vertellen hoe hij ooit door NASA werd gevraagd om Bruce Willis en Clint Eastwood voor te bereiden op hun respectievelijke rollen in de films ‘Armageddon’ en ‘Space Cowboys’. Terwijl hij zijn verhaal met enthousiaste armgebaren kracht bijzet, zie ik steeds het beeld van René Artois uit de televisiserie ‘Allo Allo’ voor me. Uit het verhaal van de fransman maak ik op dat hij drie keer in de ruimte is geweest, twee keer met de Atlantis en één keer met de Discovery. Blijkbaar is dit de astronaut wiens komst ik op een affiche voor het festival zag aangekondigd. Later op de avond fabriceert de man raketjes van lucifers en zilverfolie, waarmee hij de werking van een straalpijp demonstreert. Met succes trouwens; de minuscule zelfbouwraketjes vliegen over de borden met zeehondenvlees, rakelings langs de hoofden van de verbaasde gasten. Even vraag ik me af welke commissie van wijze mensen ooit heeft besloten om die gast (tegen ongetwijfeld astronomische kosten) de kosmos in te knallen.

Het antwoord op die vraag krijg ik trouwens al snel. Jean-François Clervoy heeft een indrukwekkende staat van dienst waarmee hij een even indrukwekkende hoeveelheid ere-medailles en onderscheidingen heeft verworven. Maar nog belangrijker is zijn enorme passie voor de ruimtevaart en zijn talent om daar op buitengewoon boeiende wijze over te vertellen. Zowel de wetenschappers als de aanwezige leken en kinderen hangen de hele avond aan zijn lippen. ESA en NASA hebben in Jean-François niet alleen een goede astronaut gevonden, maar ook een perfecte ambassadeur voor de ruimtevaart.

Walvis

Eén van de noorderlichtdeskundigen die naast mij zit is zeer enthousiast over het feit dat ze nu voor het eerst zeehond en walvis gaat eten. Er liggen twee donkerbruine stukjes vlees op haar bord, die ze duidelijk van elkaar gescheiden houdt om het een niet met het ander te verwarren. Zorgvuldig prikt ze een van de stukjes aan haar vork, brengt het naar haar mond en laat het daar een tijdje rondgaan, alsof ze een dure wijn proeft. Voordat ze het vlees doorslikt knikt ze goedkeurend:”Zeehond is lekker” constateert ze. Nu ligt er nog een plakje walvis op haar bord. Ze neemt eerst een slok water, waarna ze met de walvis dezelfde proefprocedure herhaalt. Ik volg haar verrichtingen aandachtig. Ook de walvis schijnt haar wel te bevallen en ik kan het niet nalaten aan haar te vragen waar walvis nou eigenlijk naar smaakt. Ze graaft diep in haar geheugen en kijkt er moeilijk bij. Blijkbaar is walvisvlees nergens mee te vergelijken. Dan klaart haar gezicht op, en roept ze enthousiast:”Walvis lijkt eigenlijk het meest op…zeehond!”

Buitenaardse wezens

Het is een levendige boel, mensen verplaatsen zich de hele avond door de zaal en debatteren (zittend op stoelen en tafels) over de meest uiteenlopende onderwerpen: Protuberansen, parabolische vluchten, pekelvlees, vingerverf, de vermeende helende kracht van het noorderlicht, de smaak van zeehond en de vraag of de IKEA van Haparanda naast ´Pokal´ ook ‘Charmör’-servies verkoopt.

Jean-François toont ons hoe je zelfdragende constructies bouwt van bestek en bierglazen, en laat vervolgens aan de kinderen zien hoe je in feite al gewichtsloos kunt zijn door simpelweg te springen. Wanneer die kinderen vervolgens een aantal keer enthousiast op en neer gesprongen hebben, is hij bereid om voor hen allen een verklaring te schrijven dat ze ervaringsdeskundige zijn in gewichtsloosheid. Een verklaring die hij ondertekent met: Jean-François Clervoy, Ruimtevaarder.

De drie meiden willen nog één ding weten, het is een vraag die hen blijkbaar al de hele avond op de lippen brandt:”Heeft de astronaut wel eens aliens gezien?” Jean-François lacht;”Nee, ik zag ze niet, ze zijn te klein!” De kinderen kijken hem een beetje beteuterd aan. Wat moeten ze hier nu mee, bestaan buitenaardse wezens wel of niet? Jean-François komt met een formidabele verklaring:”Ze bestaan alleen als jij dat wilt! Niemand kan bewijzen dat buitenaardse wezens wel of niet bestaan, je mag het dus zelf weten en het mooiste is; je hebt altijd gelijk!” De meiden besluiten meteen dat aliens dus bestaan, maar schijnen zich toch af te vragen hoe dat nu zit met de afmeting. Was het nou een grapje over die onzichtbaar kleine buitenaardse wezens?

Discussie

Dan ontstaat er onenigheid tussen de wetenschappers over de suggestie dat het noorderlicht geluid zou maken. Er volgt een geanimeerd debat waarin allerlei (voor leken volstrekt onbegrijpelijke) theorieën en natuurkundige fenomenen worden aangehaald die moeten aantonen dat ‘het horen van noorderlicht’ onmogelijk of juist wél mogelijk is. Eén van de wetenschappers, een excentrieke oude dame die zich blijkbaar uitvoerig in de materie heeft verdiept, pareert ieder argument met een plausibel tegenargument, om uiteindelijk simpelweg te verklaren; “en toch heb ik het gehoord, het klinkt als het knetteren van elektriciteit”. De astronaut springt op en zegt dat je natuurlijk dingen kunt horen of zien die anderen niet waarnemen. Hij beschrijft hoe hij tijdens een ruimtevlucht vreemde lichtflitsen zag, alsof iemand foto’s van hem maakte. Later werd hem uitgelegd dat dit zeer waarschijnlijk protonen waren die door zijn oogbol schoten, een fenomeen dat ook door andere astronauten is bevestigd. “Ik zag als het ware mijn eigen noorderlicht, niemand anders kon het zien”. De discussie komt tot een abrupt einde wanneer de kinderen vragen of ze voor ons een liedje mogen zingen in het Sapmi. De lichten worden gedimd en dan klinken in het Laponiahuis drie heldere stemmen die in hun bijna verdwenen taal een kinderliedje zingen. Het optreden wordt beloond met een staande ovatie van alle aanwezigen.

Klapstuk van de avond is de lancering van twee raketten die Jean-François van lege theezakjes knutselt. Wat wij gaan zien is een ‘simultaneous launch, just like in Armageddon’. “No solid fuel and minimum payload!” roept hij, terwijl hij demonstratief de thee uit de zakjes verwijdert. Van het vloeipapier vouwt hij twee raketten en zet die naast elkaar op theeschoteltjes. Dan steekt hij ze voorzichtig aan, en tellen we met zijn allen af:…three, two, one, and lift-off! Onder luid gejoel stijgen de brandende theezakjes op, helemaal tot aan het plafond, waarna de zwarte restjes langzaam neerdwarrelen. “Pay attention now!” Roept Jean-François; “this is where we have zero gravity!” Twintig volwassenen en drie kinderen volgen met wijd opengesperde ogen de vlucht van de Lipton 1 en de Lipton 2. Het brandalarm van het Laponiahuis gaat deze avond drie keer af, maar daar stoort niemand zich aan; we zijn per slot van rekening bezig in het belang van de wetenschap.

Na afloop van de maaltijd wordt de kok nog even in de schijnwerpers gezet en uitvoerig bedankt voor het fantastische buffet. Hij neemt het applaus met zichtbare voldoening in ontvangst, verruilt dan zijn witte schort en koksmuts voor zijn jachttenue (wintercamouflage) en verdwijnt de poolnacht in. Wij ruimen de rotzooi op, een klus die trouwens zo gepiept is omdat iedereen meehelpt. In het kleine keukentje van het Laponiahuis wordt met vereende krachten de orde hersteld. Een IJslandse kunstschilder draagt de vuile vaat aan, zijn vrouwelijke collega uit Friesland doet de afwas, ik droog af, de Franse astronaut ruimt de kastjes in, Andrej zingt. Vandaag hebben we weer zo’n bijzondere en memorabele bijeenkomst meegemaakt waar Patricia Cowern patent op lijkt te hebben. Het eerste Noorderlicht festival is geslaagd; iedereen spreekt de hoop uit dat dit een jaarlijks terugkerend fenomeen gaat worden.

Expositie

De volgende ochtend ga ik nog snel even langs bij de gallerie van Patricia, waar drie kunstenaars schilderijen tonen die het noorderlicht als thema hebben. Maghsud uit Iran kiest er met zijn airbrush techniek voor om het noorderlicht zo realistisch mogelijk weer te geven en slaagt daar buitengewoon goed in. Wat je op zijn schilderijen ziet is haast nog ‘echter’ dan foto’s van het fenomeen. De lange sluitertijden die nodig zijn om het noorderlicht te fotograferen geven meestal toch een (licht) vertekend beeld. Oliver Aevar Guobrandsson uit IJsland is zelf nog aanwezig en wil wel wat vertellen over zijn olieverf schilderijen. Hij schildert alleen maar noorderlicht en gelooft dat het een onderwerp is waar hij de rest van zijn schilderscarrière mee kan werken. Hij kiest voor een meer abstracte weergave van het fenomeen, die in sommige schilderijen bijna cartoonachtig overkomt. Op de meeste afbeeldingen slingert een felgroene sjerp boven het kleurloze en desolate landschap. In de surrealistische schilderijen van Marijke Sjollema uit Nederland is het noorderlicht niet of nauwelijks zichtbaar aanwezig. Toch is het wel duidelijk dat alle beelden er iets mee te maken hebben. Ook Marijke is zelf in de gallerie en vertelt over haar werk. Noorderlicht is slechts een van de vele onderwerpen die ze schildert. Ze zag het noorderlicht lang geleden voor het eerst in Canada, maar raakte pas veel later (in Zweden) geïnspireerd tot het verwerken van het fenomeen in haar schilderijen.

Deze tijdelijke expositie is nog tot de zomer te zien in de Arctic colors gallery (het oude station van Porjus). Daarnaast vind je er permanent werk van Birgitta Sandin, Vivan Johansson en Ketty Kangas uit Zweden, Severnoie Siganie uit Rusland en natuurlijk hangen er altijd foto’s van Patricia zelf.

vrijdag 16 januari 2009

Strix Nebulosa


Veel natuurliefhebbers zullen het fenomeen herkennen: Je wilt graag een bepaald dier zien en hebt dan een beeld voor ogen zoals je dat van documentaires op de televisie kent - een hert dat door een berkenboos loopt, een snoek tijdens een nachtduik in een heldere rivier, een dassenfamilie bij de ingang van hun burcht. Ook al zijn de voorwaarden nog zo gunstig, na uren of dagen zoeken in de juiste omgeving blijkt het bewuste dier onvindbaar. Misschien heb je zelfs wel zo geconcentreerd gezocht dat je een hoop andere interessante dieren over het hoofd hebt gezien. Veel later kom je ineens het dier dat je zocht tegen op een plek waar je het nooit verwacht had; op een onnatuurlijke plek, een plek waar het beest helemaal niet thuishoort - een hert op een drukke parkeerplaats, een snoek vlak onder het wateroppervlak van een vieze stadsgracht of een das in een fabriekshal.

Eergisteren moest ik iets ophalen op het industrieterrein. Er is daar een soort schroothoop; een open terrein waar oude tractoren en sneeuwschuivers staan. Nu zijn die al nauwelijks meer te zien, alles is verdwenen onder een dikke laag sneeuw. Midden op het terrein staat één enkele lantarenpaal met eronder een oude brandweerwagen. Net toen ik daar voorbij liep viel er een schaduw over me heen, geruisloos en donker. Iets groots scheerde over mijn hoofd en gleed toen richting de bosrand, ongeveer honderd meter verderop. Een roofvogel.

Toen ik het terrein was overgestoken en van een afstandje bleef kijken, keerde de vogel terug naar zijn plek bovenop de lantarenpaal. Nu zag ik pas goed hoe geweldig groot het beest was. De vleugels waren korter en breder dan van andere roofvogels en aan de dikke kop was duidelijk te zien dat het om een uil ging. De lantarenpaal bleek een perfecte plek voor het dier, met goed uitzicht over het hele sloopterrein. Al na enkele minuten kreeg de uil iets in het vizier, dook omlaag, plukte een knaagdier uit de sneeuw en vloog daarmee het bos in. Björn was niet verbaasd toen ik hem belde en hij determineerde de vogel snel aan de hand van mijn beschrijving:"Een Laplanduil, het zijn er ongebruikelijk veel dit jaar".

De Laplanduil is bijna even groot als een Oehoe (de grootste uil ter wereld). Schijn bedriegt echter. De Laplanduil dankt zijn enorme omvang vooral aan het dikke verenpakket dat hem tegen de koude winters beschermt. Een Oehoe weegt gemiddeld twee keer zoveel. Zelfs de klauwen van de Laplanduil zijn in veren verpakt, waardoor het dier een nog robuuster uiterlijk krijgt. Al jaagt de vogel zowel ´s nachts als overdag, het gehoor is fenomenaal; een Laplanduil schijnt zelfs knaagdieren te horen die tot op honderd meter afstand onder de sneeuw graven. Ik ben de afgelopen dagen een paar keer gaan kijken op het sloopterrein en ik krijg er geen genoeg van om de enorme roofvogel te zien jagen. De vogel draait zijn kop rond en scant de omgeving totdat iets zijn aandacht trekt. Er volgen wat snelle, korte bewegingen waarmee de uil probeert een goed beeld te krijgen van de prooi. Dan lijkt het alsof de vogel pardoes van de lantarenpaal valt maar halverwege slaat hij geruisloos zijn enorme vleugels uit en glijdt met hoge snelheid vlak boven de sneeuw op zijn doel af. Diverse keren heb ik de uil zo in duikvlucht over de schroothoop zien scheren en het blijft een prachtig schouwspel.

De reden dat er dit jaar meer Laplanduilen zijn is de explosieve groei van de woelmuizenpopulatie. Hoewel uilen ook grotere prooien slaan (konijn, haas, korhoen) is de woelmuis de belangrijkste voedselbron voor de Laplanduil. Er schijnt een direct verband te bestaan tussen het aantal woelmuizen en het aantal eieren dat een Laplanduil legt. De woelmuis heeft dus niet alleen vervelende dingen meegebracht.

dinsdag 2 september 2008

Bob de hond



Eigenlijk is het de bedoeling dat ik zes weken lang gekazerneerd ben voor de brandweeropleiding. De afstand van Sandö naar Porjus is te groot om steeds naar huis te gaan en we hebben genoeg huiswerk om de weekenden door te komen. De cursus begint meteen pittig, maar de eerste twee weken hebben we buiten de colleges nog niet zoveel te doen en ik besluit wat stoom af te blazen in Stockholm. Bob Hund speelt op het Popaganda Festival, bij een openluchtzwembad midden in de hoofdstad. Ik heb ze in 2002 al eens zien optreden op het festival van Roskilde.

Al snel blijkt dat de meeste bezoekers speciaal voor Bob Hund naar Popaganda zijn gekomen. De band kondigt zichzelf aan met de kreet:"Dit is fantastisch!"

Daar hebben ze helemaal gelijk in. Het optreden staat als een huis en de bezoekers verlaten (veel later dan gepland) uitzinnig het festival.

zondag 20 juli 2008

Kebnekaise - Een piekervaring in plattelandsstijl



Volgens mij is het alweer twintig jaar geleden dat ik van een vriend een boekje cadeau kreeg met de titel: ‘Piekervaring, bergbeklimmen in plattelandsstijl’. Het is geschreven door William Reppel en ik herinner me vooral dat het zo grappig en inspirerend was om te lezen. Of het boek nog verkrijgbaar is weet ik niet, maar mocht je het ergens tegenkomen dan kan ik het van harte aanbevelen. William Reppel is geen bergbeklimmer, maar hij houdt wel van bergen. In ‘Piekervaring’ beschrijft hoe hij zonder klimuitrusting - en niet gehinderd door enige ervaring - de Alpen intrekt. Het is geen avonturenboek waarbij de auteur verteld hoe hij van de ene levensbedreigende situatie in de andere rolt; het is het droogkomische relaas van een bergliefhebber die op z’n gemakje klimt en regelmatig stilstaat om van het uitzicht te genieten. Bergbeklimmer Alex Lowe zei ooit:”The best climber in the world is the one who’s having the most fun”. Reppel maakt kans op die titel, al had Lowe waarschijnlijk een ander type ‘klimmer’ in gedachten. Hoe dan ook, wat nu volgt is een verhaal over iets dat ik niet beter kan beschrijven dan ‘een piekervaring in plattelandsstijl’: Onze beklimming van Kebnekaise.

Akka von Kebnekaise

Kebnekaise, door de lokale bevolking ook wel liefkozend ‘Keb’ genoemd, is de hoogste berg van Zweden. Van de zeven toppen zijn Sudtoppen en Nordtoppen het hoogst, respectievelijk 2060 en 2097 meter. Met de sneeuw meegerekend is soms de ene, dan de andere top het hoogst. Wel duidelijk is dat er steeds minder sneeuw en ijs ligt op Kebnekaise. Dit jaar werd de hoogte van de zuidtop vastgesteld op 2102 meter, en dat is ruim dertig meter lager dan honderd jaar geleden. Er wordt wel eens beweerd dat je vanaf Kebnekaise 11% van het Zweedse koninkrijk kunt zien. Dan moet het weer wel een beetje meewerken natuurlijk, maar daarover straks meer. In de zomer wordt het gebied rond Kebnekaise altijd druk bezocht door toeristen. De omgeving is fantastisch mooi en de Kungsleden (het langste wandelpad van Scandinavië) loopt langs de voet van de berg. Het grappige is dat de naam Kebnekaise menigeen doet denken aan het sprookje ‘Nils Holgersson’s wonderbare reis door Zweden’ van Selma Lagerlöf. Haar bedoeling was om kinderen spelenderwijs iets te vertellen over de geografie van het land. Nils is een kereltje dat door een betovering krimpt en vervolgens met een groep ganzen meevliegt. De oppergans heet Akka von Kebnekaise. Het tussenvoegsel ‘von’ is in Zweden voorbehouden aan adel, wat Akka natuurlijk de nodige autoriteit verleent. Hoewel de namen vertrouwd klinken, zullen niet alle buitenlandse lezers weten dat Akka en Kebnekaise twee bergen in Zweden zijn. Akka ligt niet ver bij Porjus vandaan. Een beklimming is vanuit het dorp in een (lange) dag te doen, al is het beter om in de buurt van Akka te overnachten, bijvoorbeeld bij het toeristenstation van Ritsem. Voor Kebnekaise is de stad Kiruna een goed uitgangspunt, al ligt ook daar een dagtocht niet voor de hand vanwege de grote afstand. De dichtstbijzijnde plek waar je met de auto kunt komen is Nikkaluokta, een hotel/restaurant dat wordt gerund door Samen, op ongeveer drie kwartier rijden van Kiruna. Vooral in de zomer is dit een drukbezochte accommodatie. Je kunt er kamperen, kamers huren en proviand inslaan.

Halspasset


Kebnekaise is via een gemarkeerde route te beklimmen, zonder dat daarvoor klimuitrusting nodig is. Die tocht leidt naar de zuidtop en levert voor mensen met een normale conditie geen problemen op. De zuidtop en de iets hogere noordtop worden van elkaar gescheiden door een scherpe graat, die ook in de zomer besneeuwd is. Voor mensen die geen hoogtevrees hebben is het oversteken van de graat misschien verleidelijk, al was het maar om later te kunnen zeggen dat je echt op het hoogste punt van Zweden hebt gestaan. Dat is echter niet aan te raden: het uitzicht is vanaf beide toppen even mooi, en er zijn al eens mensen met sneeuw en al van de kam gelazerd. De enige periode waarin Kebnekaise zich leent voor een beklimming in ‘plattelandsstijl’ is de zomer. In Lapland daalt het kwik in de winter regelmatig tot onder de -30ºC en er ligt altijd een dik pak sneeuw. Nu zijn er ook in de winter wel veel mensen die Kebnekaise beklimmen, maar dat vergt zoveel voorbereiding dat je niet meer van een gewone wandeling kunt spreken. In de zomer is er voor ieder wat wils. Wandelaars kunnen zoals gezegd kiezen voor het gemarkeerde pad, ervaren klimmers nemen meestal een wat uitdagender route over één van de vier grote gletsjers die Kebnekaise omringen.

Dat is ook wat Wiek zich heeft voorgenomen. Hij wil de berg op via de gletsjer bij Tarfala. Bovenaan de gletsjer ligt een couloir dat relatief eenvoudig toegang verschaft tot de noordtop. In de winter waagt hij met een klimvriend uit Nederland een eerste poging, die strandt onder Halspasset. Het weer is bar en boos, en na enkele dagen kamperen in de sneeuw moeten ze de expeditie staken. In de lente onderneemt Wiek in zijn eentje een nieuwe poging. Weer blijkt Halspasset de spelbreker. Nadat hij van dichtbij een lawine door het couloir heeft zien razen besluit Wiek om onverrichter zake huiswaarts te keren. Maar Keb laat hem niet met rust. Op zekere dag komt hij bij me op bezoek en vraagt:”Wat denk je ervan om de hoogste berg van Zweden te beklimmen?” Dat is een rare vraag. Wiek weet dat ik altijd in ben voor expedities - hoe idioter hoe mooier zou ik bijna zeggen - maar ik heb 0,0 klimervaring. “Ken jij de stripboeken van Lucky Luke?” vraag ik hem. Wiek kijkt me bevreemd aan. “De Daltons...als die weer eens in de gevangenis belanden...dan staan ze altijd stenen te hakken met zo’n metalen bal aan een ketting om hun enkel. Ik wil Keb best beklimmen met je, maar dan ben jij Joe Dalton en dan ben ik zo’n ketting met een bal eraan. O.k.?”

Tarfala

We besluiten om het in Juli te proberen. Het weer leent zich dan het best voor zo’n tocht, en bovendien zijn alle hutten en accommodaties geopend voor het toeristenseizoen. Dat betekent weer minder gezeul met slaapzakken, tent en eten. De tocht begint bij Nikkaluokta, waar we de auto op de parkeerplaats achterlaten. Dit is de poort naar Kebnekaise, en het is er druk: in de zomer komen er dagelijks honderden wandelaars en bergsporters voorbij. De meeste mensen lopen vanaf Nikkaluokta langs de rivier de 15 kilometer naar het Kebnekaise bergstation. Daarnaast vliegen er in het hoogseizoen helikopters tussen Nikkaluokta en het station. Wij wijken bij de eerste brug over de rivier af van de reguliere route en lopen naar het noorden. Aanvankelijk is er nog wel een duidelijk pad, maar dat verliezen we op een gegeven moment uit het oog. Een probleem is dat niet, het landschap is erg overzichtelijk en het risico op verdwalen is nihil. Tegen het einde van de dag komen we op wat hoger gelegen terrein voor het eerst in de sneeuw terecht. Kort daarna doemt Keb voor ons op, en in het dal dat ons van de berg scheidt ligt de hut waar we die nacht zullen slapen: Tarfala. Een overnachting in Tarfala is trouwens sowieso de moeite waard, ook voor mensen die niet van plan zijn om Kebnekaise te beklimmen. De hut ligt aan de oevers van een gletsjermeer, ver verwijderd van de drukbewandelde paden. Je hebt er bovendien fantastisch uitzicht op de hoogste berg van Zweden.

Gletsjer

De volgende ochtend staan we vroeg op. De wachtmeester van de hut (een leuke kerel die Wiek kent van zijn eerdere uitstapjes) slaat onze voorbereidingen geïnteresseerd gade. Hij zegt dat de weersvoorspelling redelijk goed is, en hij overweegt nog even hardop of hij met ons mee zal gaan. De plicht roept echter, het is immers ook in het rustige Tarfala hoogseizoen.

Eerst moeten we een riviertje over. We proberen het droog te houden: beginnen aan een bergtocht met natte voeten is niet handig. Dan volgt een stukje over losse rotsblokken aan de voet van de gletsjer, totdat we het eerste ijs bereiken. Nu wordt het leuk, de stijgijzers gaan onder! Wiek laat me zien wat ik moet doen als hij plotseling in een gletsjerspleet verdwijnt: Pikhouweel tegen de borst en voorover de sneeuw in, zodat je met je volle gewicht op de pikkel rust. Bij wijze van oefening werp ik mijzelf een paar keer voorover in de sneeuw en besef dat het er allerminst gracieus uitziet. Wiek bekijkt het geamuseerd en vraagt dan ‘Ben je er klaar voor?’ Het risico dat je bij Kebnekaise in een gletsjerspleet valt is niet bijzonder groot, maar we besluiten om alles volgens het boekje te doen. Al snel staan we oog in oog met het piéce de résistance: Halspasset. Het is stijl en er ligt sneeuw tot boven aan het couloir. Hier zullen we voor het eerst deze tocht onze handen en voeten gaan gebruiken. Wiek laat me zien hoe je een pikkel vasthoudt om er op te steunen. Hij controleert nog eens het touw waarmee we aan elkaar vast zitten en dan beginnen we aan de klim. Joe Dalton, ketting, bal. Mocht het misgaan dan vallen we weliswaar een knap eind omlaag, maar het gaat niet loodrecht naar beneden en er ligt bovendien een dik pak sneeuw. Dat zou ik in plattelandsstijl willen omschrijven als ‘verzachtende omstandigheden’.

Bovenaan Halspasset stoppen we voor een kopje koffie en een snack. Het waait er behoorlijk en het zicht is beroerd. “Laten we maar even afwachten of het beter wordt”, zegt Wiek. Het wordt niet beter, eerder slechter. Na een half uurtje is ons geduld echter op, en zin om naar beneden te gaan hebben we allebei nog niet. We besluiten om verder te gaan en een oogje te houden op onze horloges, zodat we in geval van nood nog ruim de tijd hebben om af te dalen. “Zodat we voor het donker thuis zijn”, grijnst Wiek. Leuk. In deze tijd van het jaar gaat de zon hier in Lapland niet onder. Nu begint het echte klimwerk. Zoals ik me dat als leek dan voorstel tenminste; over kale rotsen en ijs. Voor een ervaren bergbeklimmer zal het een koud kunstje zijn, voor mij is het een spannend avontuur. Wiek kijkt de klimgordels nog een keer na en verdwijnt dan in de mist. Zodra hij een seintje geeft dat hij stevig staat, kan ik hem volgen. We traverseren een stukje, totdat we ons op de noordzijde van Keb bevinden. Plotseling trekt het open: het uitzicht is adembenemend mooi. Niet veel later komen we aan op een besneeuwd plateau dat langs een flauwe helling naar de noordtop leidt.

In feite is de onderneming nu al geslaagd. We hebben het hoogste punt van het land bereikt. Door het slechte weer halen we helaas bij lange na niet het uitzicht op 11% van Zweden, zoals ons beloofd was. Elf promille klinkt een stuk aannemelijker. De vier grote gletsjers en het omringende berglandschap zijn echter goed zichtbaar, en we vieren onze overwinning met een korte pauze. Maar dan dient zich toch de vraag aan ons op: hoe nu verder? Vanaf de zuidtop worden we gadegeslagen door een groepje andere toeristen, die via de normale route omhoog zijn gekomen. We worden van hen gescheiden door de besneeuwde graat. Er zijn de laatste tijd geen mensen overgestoken, in dat geval waren er zeker sporen te zien. Eigenlijk hoeven we er niet over te discussiëren, we hebben al besloten dat we niet op onze schreden terugkeren naar Tarfala. Aan beide kanten van de graat loopt de bergwand enkele honderden meters vrijwel loodrecht naar beneden. De sneeuwkam maakt een slinger, eerst hangt hij naar links over, daarna naar rechts. Het zal er vooral op aan komen om in het midden te blijven; waar zich berg onder de sneeuw bevindt in plaats van lucht. Normaal gesproken krijg ik al kriebel in mijn buik als ik er alleen maar aan denk, maar kennelijk lonkt de koffie van het bergstation genoeg om het te winnen van de zenuwen. Ik, poldermans, balancerend op het sleutelbeen van Kebnekaise...wie had dat gedacht? Mijn piekervaring in plattelandsstijl komt halverwege de graat tussen de noordtop en de zuidtop. In de euforie houd ik stil, doe mijn rugzak af, en ga op zoek naar mijn camera om Wiek in deze historische scène te vereeuwigen. Die kijkt geïrriteerd om en zet zich schrap:”Je staat toch wel stevig, hé?” Achteraf gezien is zijn ergernis wel begrijpelijk: We zijn de ketting met de loden kogel om elkaars enkels. Bij een valpartij gaan we hier samen vierhonderd meter naar beneden.

Singi

Vanaf de zuidtop lopen we via de normale route naar Kebnekaise Fjällstation. ‘Normaal’ is trouwens een understatement: de omgeving is van een uitzonderlijke schoonheid. Hierbij vergeleken is de tocht naar Tarfala saai. Wat deze route vooral de moeite waard maakt, is het uitzicht op Singi, een indrukwekkende kale rotswand die zich ten westen van ons optrekt. Overal om ons heen liggen trouwens markante bergen, waarvan de op een vulkaan lijkende Tolpagorni ongetwijfeld de meest gefotografeerde is. We ontmoeten tientallen wandelaars die zowel naar boven als naar beneden op weg zijn. Dat is gebruikelijk. In deze tijd van het jaar wordt het toch niet donker, en sommige mensen willen de middernachtzon graag zien vanaf de top van Kebnekaise. We worden onderweg begroet in verschillende talen, en maken af en toe een praatje met wat voorbijgangers. Om tien uur ’s avonds komen we aan bij Kebnekaise Fjällstation. Het is er een gezellige drukte met wandelaars en bergbeklimmers van alle leeftijden en nationaliteiten.

Na een welverdiende nachtrust lopen we de volgende dag het laatste stuk langs de rivier terug naar Nikkaluokta...met Keb in the pocket.

woensdag 14 februari 2007

Popular Music

"...I tried to teach Niila the trick of thinking about death whenever you came up against a girl. It's a trick I've used myself many times over the years, and it is surprisingly effective. Before so very many years have passed, I'm going to die. My body will decay and disappear for ever. The same will happen to the girl, we'll all be no more. In a thousand years our lives, all our sweetest dreams and worst fears will be nothing but dust and ashes. So what difference does it make if she turns you down or is snooty or laughs in your face? Thanks to that cynical attitude I've occasionally managed to achieve remarkable results when it comes to love - dared to be with lethally beautiful women, for instance, and sometimes even been allowed to play with them.

This was the only piece of advice Niila ever listened to. He started to think about death more then he did about girls. To be blunt, he became insufferable. He was going to need my help shortly, but neither of us knew anything about that as yet..."

Populär musik från Vittula © Mikael Niemi, 2000
.
Bovenstaande is een fragment uit de Engelse vertaling die ik van 'Populärmusik från Vittula' heb gelezen. In deze autobiografie beschrijft Mikael Niemi zijn jeugd in Pajala, een klein Zweeds dorpje dat tegen de grens met Finland aanligt. Het is een tragikomisch relaas over het leven in Lapland en opgroeien in een gehucht waar de roerige jaren zestig bijna ongemerkt aan voorbij lijken te gaan.
.
Mikael Niemi's debuut is inmiddels in 26 talen verschenen en 1 op de 8 Zweden bezit er een exemplaar van. In 2004 werd Populärmusik från Vittula verfilmd, half Pajala kreeg een rol aangeboden en de schrijver is zelf te horen als voice-over. Het resultaat is op zich best aardig, al is de film nogal fragmentarisch en waarschijnlijk vooral de moeite waard wanneer je eerst het boek gelezen hebt.
.
Na wat omzwervingen door Zweden en Finland woont Mikael Niemi tegenwoordig weer in Pajala, met zijn Nederlandse vrouw en drie kinderen. Zijn kinderen worden tweetalig opgevoed, ze spreken Zweeds en Fries.
.
In Nederland is Niemi's debuut om onduidelijke redenen onder twee verschillende titels te vinden:
.
1 - Popmuziek uit Sexbierumerveen
- Uitg. De Geus - 2006 - ISBN10: 9044509551 / ISBN13: 9789044509557
2 - Popmuziek uit Vittula
- Uitg. De Geus - 2002 - ISBN 904450136 4
.
'...Each chapter is a small parable, simple but oceans deep, so that frequently you find you are laughing while having tears in your eyes.'
The Times

dinsdag 16 januari 2007

Motorvärmare


De regiocommandant uit Jokkmokk nodigt me uit voor een lunch bij Ájtte. Hij komt me persoonlijk in een brandweerauto ophalen bij de kazerne van Porjus en heeft zijn collega Patrick bij zich, die goed Engels spreekt. Alle dagdienstmedewerkers van de kazerne in Jokkmokk delen een passie voor rallysport. Niet als toeschouwers maar als coureurs. Halverwege Porjus en Jokkmokk kom ik erachter hoe diepgeworteld die passie precies is en krijg ik bovendien helemaal gratis en voor niets een spoedcursus driften.

Over Thomas’ schouder zie ik dat ons een vrachtwagen tegemoetkomt die met zijn groot licht knippert. De weghelftmarkering zou (als die zichtbaar was) onze wagen schuin door midden delen. Patrick bevindt zich voorin als bijrijder aan de goede kant en ik glijd achterin over de verkeerde weghelft. Vlak voordat we door de vrachtwagen jammerlijk verpletterd gaan worden trekt Thomas de auto met één hand uit zijn kunstmatige slip en wuift hij tegelijkertijd met zijn andere hand naar de bestuurder van de vrachtwagen. “De meeste mensen kennen me hier wel”, zegt hij.

We naderen de dam waarvan ik eerder zei dat niemand je ooit terug zou vinden als je er met de auto vanaf gleed en onder het ijs belandde. Thomas geeft gas, de motor loeit. Met een forse ruk aan het stuur belanden we opnieuw in een - naar ik vurig hoop gecontroleerde - slip. De brandweerauto glijdt met brullende motor onder een hoek van 45 graden ten opzichte van de rijstrook over de dam en de koplampen beschijnen rechts een lage betonnen rand die we met duizelingwekkende vaart voorbij schieten. De weg over de stuwdam is een lange scherpe curve die ik absoluut niet herken in de lijn die onze auto volgt. Voor zover ik het kan overzien natuurlijk, want ik word stevig tegen het portier gedrukt door één of ander onzichtbaar fenomeen waar ongetwijfeld een uitstekende natuurkundige verklaring voor is...die me nu dus even niet te binnen wil schieten, want de linker helft van mijn gezicht zit tegen een raam geplakt en als ik met mijn rechteroog rondkijk zie ik door een andere ruit (de achterruit hoop ik) alleen maar wolken stuifsneeuw.

Ik realiseer me plotseling dat ik me dus in een brandweerauto bevind die zich ver boven de maximumsnelheid over een spiegelglad wegdek beweegt met de neus wijzend in een richting die weinig – of helemaal niets eigenlijk - te maken heeft met onze rijrichting. Rechts van ons bevindt zich een halfbevroren stuwmeer en links (dat is dus de kant waar je in rechtsrijdende landen als Zweden helemaal niets te zoeken hebt en die wij ons evengoed toch al geruime tijd hebben toegeëigend) bevindt zich voorbij de vangrail - die er natuurlijk niet is, dat zul je net zien – dertig meter vrije val langs de loodrechte damwand met daarna wat snelstromend water en rotsen. Achter het stuur zit de Hans Wink van Jokkmokk vrolijk te telefoneren.

Patrick draait zich om, hij gaat achterstevoren zitten en begint me iets te vertellen over Volvo. Ik heb mijn gedachten er niet helemaal bij, maar ik begrijp dat hij nogal fan is van de V70 XC en de XC90. We rijden weer rechtuit en ik kom los van het portier. Even. Dan gooit Thomas het stuur weer om en schuif ik ongewild een plaatsje op naar de andere kant. Patrick vertelt rustig verder over de kwaliteiten van vierwiel aangedreven auto’s. Op de achtergrond flitsen bevroren sparren voorbij. Er gaat opnieuw een telefoon. Thomas neemt op en begint een geanimeerd gesprek terwijl hij met zijn ‘vrije’ hand de wagen in een slip houdt. Ik zie dat Patrick’s rechterhand zich naar de versnellingspook beweegt terwijl hij mij aan blijft kijken en doorbabbelt over de geschiedenis van de Zweedse automobielindustrie. Thomas neemt iets gas terug, hij rijdt nu honderd met één hand. Patrick bedient achterstevoren zittend de versnellingspook zonder ook maar een seconde zijn verhaal over Volvo’s te onderbreken. Deze twee mensen kunnen samen blind een auto besturen. Tussen Jokkmokk en Porjus in ieder geval.

We rijden weer rechtuit. Thomas houdt nog steeds het mobieltje aan zijn oor en buigt zich voorover. Hij lijkt iets te zoeken onder de autoradio. Patrick draait zich om en neemt nu ook met één hand het stuur over. Ik zie zo’n duifachtige vogel op de weg zitten en wil Patrick daarop attent maken, maar voor ik mijn mond open kan doen hoor ik al een doffe klap en waait er een wolk donsveertjes over de motorkap. Thomas komt overeind en neemt zelf het stuur weer over. Er volgt een kort meningsverschil in het Zweeds. Patrick richt zich weer tot mij en vraagt of ik weet wat we zojuist hebben geraakt. Ik antwoord dat we nu waarschijnlijk in een brandweerauto rijden met op de neus het stoffelijk overschot van een duifachtige vogel waarvan ik de naam niet weet. “Oh, zo één, zegt Thomas. Die kun je goed eten. Echt waar!”

In Jokkmokk ligt Ájtte, het bekendste Zweedse museum over de cultuur van de Samen. Er is ook een ruimte waar opgezette dieren te zien zijn die in Lapland voorkomen. Het is allemaal erg mooi vormgegeven. Met Patrick loop ik langs de vogelsectie. “Ik zie die vogel niet, die we geraakt hebben”, zeg ik hem. “Dat klopt”, antwoordt Patrick,”maar die komen we straks nog wel tegen bij de informatie over het voedsel van de Samen". En verdomd, even later staan we voor een display met poppen waarvan er één een zak vast heeft vol met van die duifachtige vogels. Ripa, heten ze.

Motorvärmare

"Een Audi Quattro uit 2002”, zegt Patrick trots, “All wheel drive dus, door de fabriek geleverd in een verlaagde uitvoering. Harde rallyvering, zes versnellingen, max. 250 km/uur…voordat ik hem onder handen had genomen natuurlijk…(geeft me een vette knipoog). Ik heb hem zelf verder getuned”.

Als ik naast hem plaatsneem dan heeft de binnenkant in mijn ogen meer weg van een straaljagercockpit dan van een doorsnee auto interieur. Het wekt in ieder geval de indruk dat je ermee door de geluidsbarrière kunt en Patrick lijkt me bovendien een jongen die dat heel erg graag zou willen.

Om mij heen zie ik overal knopjes en rode lichtjes. Voor het besturen van deze auto heb je geen rijbewijs nodig maar een vierjarige opleiding bij NASA. Daar waar geen knopjes en lichtjes zitten - en dat zijn eigenlijk alleen de stoelen - is de auto bekleed met leer in de combinatie zwart en hardblauw. Nog voordat we opgestegen zijn voel ik mijn achterwerk onnatuurlijk warm worden. Ik vraag me af of ik soms per ongeluk (verblind door alle lichtgevende technologie om mij heen) op een doos met een afhaalpizza ben gaan zitten. Als ik mijzelf uit de aërodynamisch gevormde stoel hijs om dat te kunnen verifiëren, meldt de bestuurder:“Stoelverwarming, onmisbaar in dit klimaat. Ik zet hem altijd op de hoogste stand. Moet-ie lager?”

Hij legt me verder uit dat hij niet op spikes rijdt maar op winterbanden met een high-tech profiel en dito coating. Banden die gemaakt zijn om met hoge snelheid over ijs te racen en die voor dat doel nog beter geschikt zijn dan spikes. Banden die, begrijp ik ook uit zijn verhaal, per stuk de maandelijkse huur van mijn nieuwe onderkomen bedragen.

Patrick lijkt in ieder geval verstand te hebben van auto’s, en terug op de kazerne besluit ik hem te vragen naar die motorwarmer. Waar moet dat ding precies ingestoken worden? Dat is heel simpel volgens Patrick. Hij loopt naar een computer en tovert een foto tevoorschijn van een Corvette Stingray met geopende motorkap, waarop hij aanwijst waar de motorwarmer moet komen. “Bij de meeste auto’s zit hij hier ongeveer”, vervolgt hij,”Waar rijd jij eigenlijk in?”

Die vraag probeer ik quasi professioneel te beantwoorden:”Een Ford Transit uit ’95. Diesel, rear wheel drive...ook zes versnellingen...als je de achteruit meerekent. Harde vering ook trouwens, en max. 130 km/uur. Zelfs nog wat harder als je bergaf gaat. Ik ga hem natuurlijk zelf nog verder tunen”. Ik geef hem een vette knipoog, maar de grap komt geloof ik niet helemaal over. Of helemaal niet, eigenlijk. Patrick staart me wezenloos aan. “Een diesel?”, vraag hij tenslotte;“Tja, dan weet ik het ook niet”. Gedesillusioneerd loopt hij weg.