
Veel natuurliefhebbers zullen het fenomeen herkennen: Je wilt graag een bepaald dier zien en hebt dan een beeld voor ogen zoals je dat van documentaires op de televisie kent - een hert dat door een berkenboos loopt, een snoek tijdens een nachtduik in een heldere rivier, een dassenfamilie bij de ingang van hun burcht. Ook al zijn de voorwaarden nog zo gunstig, na uren of dagen zoeken in de juiste omgeving blijkt het bewuste dier onvindbaar. Misschien heb je zelfs wel zo geconcentreerd gezocht dat je een hoop andere interessante dieren over het hoofd hebt gezien. Veel later kom je ineens het dier dat je zocht tegen op een plek waar je het nooit verwacht had; op een onnatuurlijke plek, een plek waar het beest helemaal niet thuishoort - een hert op een drukke parkeerplaats, een snoek vlak onder het wateroppervlak van een vieze stadsgracht of een das in een fabriekshal.
Eergisteren moest ik iets ophalen op het industrieterrein. Er is daar een soort schroothoop; een open terrein waar oude tractoren en sneeuwschuivers staan. Nu zijn die al nauwelijks meer te zien, alles is verdwenen onder een dikke laag sneeuw. Midden op het terrein staat één enkele lantarenpaal met eronder een oude brandweerwagen. Net toen ik daar voorbij liep viel er een schaduw over me heen, geruisloos en donker. Iets groots scheerde over mijn hoofd en gleed toen richting de bosrand, ongeveer honderd meter verderop. Een roofvogel.
Toen ik het terrein was overgestoken en van een afstandje bleef kijken, keerde de vogel terug naar zijn plek bovenop de lantarenpaal. Nu zag ik pas goed hoe geweldig groot het beest was. De vleugels waren korter en breder dan van andere roofvogels en aan de dikke kop was duidelijk te zien dat het om een uil ging. De lantarenpaal bleek een perfecte plek voor het dier, met goed uitzicht over het hele sloopterrein. Al na enkele minuten kreeg de uil iets in het vizier, dook omlaag, plukte een knaagdier uit de sneeuw en vloog daarmee het bos in. Björn was niet verbaasd toen ik hem belde en hij determineerde de vogel snel aan de hand van mijn beschrijving:"Een Laplanduil, het zijn er ongebruikelijk veel dit jaar".
De Laplanduil is bijna even groot als een Oehoe (de grootste uil ter wereld). Schijn bedriegt echter. De Laplanduil dankt zijn enorme omvang vooral aan het dikke verenpakket dat hem tegen de koude winters beschermt. Een Oehoe weegt gemiddeld twee keer zoveel. Zelfs de klauwen van de Laplanduil zijn in veren verpakt, waardoor het dier een nog robuuster uiterlijk krijgt. Al jaagt de vogel zowel ´s nachts als overdag, het gehoor is fenomenaal; een Laplanduil schijnt zelfs knaagdieren te horen die tot op honderd meter afstand onder de sneeuw graven. Ik ben de afgelopen dagen een paar keer gaan kijken op het sloopterrein en ik krijg er geen genoeg van om de enorme roofvogel te zien jagen. De vogel draait zijn kop rond en scant de omgeving totdat iets zijn aandacht trekt. Er volgen wat snelle, korte bewegingen waarmee de uil probeert een goed beeld te krijgen van de prooi. Dan lijkt het alsof de vogel pardoes van de lantarenpaal valt maar halverwege slaat hij geruisloos zijn enorme vleugels uit en glijdt met hoge snelheid vlak boven de sneeuw op zijn doel af. Diverse keren heb ik de uil zo in duikvlucht over de schroothoop zien scheren en het blijft een prachtig schouwspel.
De reden dat er dit jaar meer Laplanduilen zijn is de explosieve groei van de woelmuizenpopulatie. Hoewel uilen ook grotere prooien slaan (konijn, haas, korhoen) is de woelmuis de belangrijkste voedselbron voor de Laplanduil. Er schijnt een direct verband te bestaan tussen het aantal woelmuizen en het aantal eieren dat een Laplanduil legt. De woelmuis heeft dus niet alleen vervelende dingen meegebracht.
Eergisteren moest ik iets ophalen op het industrieterrein. Er is daar een soort schroothoop; een open terrein waar oude tractoren en sneeuwschuivers staan. Nu zijn die al nauwelijks meer te zien, alles is verdwenen onder een dikke laag sneeuw. Midden op het terrein staat één enkele lantarenpaal met eronder een oude brandweerwagen. Net toen ik daar voorbij liep viel er een schaduw over me heen, geruisloos en donker. Iets groots scheerde over mijn hoofd en gleed toen richting de bosrand, ongeveer honderd meter verderop. Een roofvogel.
Toen ik het terrein was overgestoken en van een afstandje bleef kijken, keerde de vogel terug naar zijn plek bovenop de lantarenpaal. Nu zag ik pas goed hoe geweldig groot het beest was. De vleugels waren korter en breder dan van andere roofvogels en aan de dikke kop was duidelijk te zien dat het om een uil ging. De lantarenpaal bleek een perfecte plek voor het dier, met goed uitzicht over het hele sloopterrein. Al na enkele minuten kreeg de uil iets in het vizier, dook omlaag, plukte een knaagdier uit de sneeuw en vloog daarmee het bos in. Björn was niet verbaasd toen ik hem belde en hij determineerde de vogel snel aan de hand van mijn beschrijving:"Een Laplanduil, het zijn er ongebruikelijk veel dit jaar".
De Laplanduil is bijna even groot als een Oehoe (de grootste uil ter wereld). Schijn bedriegt echter. De Laplanduil dankt zijn enorme omvang vooral aan het dikke verenpakket dat hem tegen de koude winters beschermt. Een Oehoe weegt gemiddeld twee keer zoveel. Zelfs de klauwen van de Laplanduil zijn in veren verpakt, waardoor het dier een nog robuuster uiterlijk krijgt. Al jaagt de vogel zowel ´s nachts als overdag, het gehoor is fenomenaal; een Laplanduil schijnt zelfs knaagdieren te horen die tot op honderd meter afstand onder de sneeuw graven. Ik ben de afgelopen dagen een paar keer gaan kijken op het sloopterrein en ik krijg er geen genoeg van om de enorme roofvogel te zien jagen. De vogel draait zijn kop rond en scant de omgeving totdat iets zijn aandacht trekt. Er volgen wat snelle, korte bewegingen waarmee de uil probeert een goed beeld te krijgen van de prooi. Dan lijkt het alsof de vogel pardoes van de lantarenpaal valt maar halverwege slaat hij geruisloos zijn enorme vleugels uit en glijdt met hoge snelheid vlak boven de sneeuw op zijn doel af. Diverse keren heb ik de uil zo in duikvlucht over de schroothoop zien scheren en het blijft een prachtig schouwspel.
De reden dat er dit jaar meer Laplanduilen zijn is de explosieve groei van de woelmuizenpopulatie. Hoewel uilen ook grotere prooien slaan (konijn, haas, korhoen) is de woelmuis de belangrijkste voedselbron voor de Laplanduil. Er schijnt een direct verband te bestaan tussen het aantal woelmuizen en het aantal eieren dat een Laplanduil legt. De woelmuis heeft dus niet alleen vervelende dingen meegebracht.