dinsdag 16 januari 2007

Motorvärmare


De regiocommandant uit Jokkmokk nodigt me uit voor een lunch bij Ájtte. Hij komt me persoonlijk in een brandweerauto ophalen bij de kazerne van Porjus en heeft zijn collega Patrick bij zich, die goed Engels spreekt. Alle dagdienstmedewerkers van de kazerne in Jokkmokk delen een passie voor rallysport. Niet als toeschouwers maar als coureurs. Halverwege Porjus en Jokkmokk kom ik erachter hoe diepgeworteld die passie precies is en krijg ik bovendien helemaal gratis en voor niets een spoedcursus driften.

Over Thomas’ schouder zie ik dat ons een vrachtwagen tegemoetkomt die met zijn groot licht knippert. De weghelftmarkering zou (als die zichtbaar was) onze wagen schuin door midden delen. Patrick bevindt zich voorin als bijrijder aan de goede kant en ik glijd achterin over de verkeerde weghelft. Vlak voordat we door de vrachtwagen jammerlijk verpletterd gaan worden trekt Thomas de auto met één hand uit zijn kunstmatige slip en wuift hij tegelijkertijd met zijn andere hand naar de bestuurder van de vrachtwagen. “De meeste mensen kennen me hier wel”, zegt hij.

We naderen de dam waarvan ik eerder zei dat niemand je ooit terug zou vinden als je er met de auto vanaf gleed en onder het ijs belandde. Thomas geeft gas, de motor loeit. Met een forse ruk aan het stuur belanden we opnieuw in een - naar ik vurig hoop gecontroleerde - slip. De brandweerauto glijdt met brullende motor onder een hoek van 45 graden ten opzichte van de rijstrook over de dam en de koplampen beschijnen rechts een lage betonnen rand die we met duizelingwekkende vaart voorbij schieten. De weg over de stuwdam is een lange scherpe curve die ik absoluut niet herken in de lijn die onze auto volgt. Voor zover ik het kan overzien natuurlijk, want ik word stevig tegen het portier gedrukt door één of ander onzichtbaar fenomeen waar ongetwijfeld een uitstekende natuurkundige verklaring voor is...die me nu dus even niet te binnen wil schieten, want de linker helft van mijn gezicht zit tegen een raam geplakt en als ik met mijn rechteroog rondkijk zie ik door een andere ruit (de achterruit hoop ik) alleen maar wolken stuifsneeuw.

Ik realiseer me plotseling dat ik me dus in een brandweerauto bevind die zich ver boven de maximumsnelheid over een spiegelglad wegdek beweegt met de neus wijzend in een richting die weinig – of helemaal niets eigenlijk - te maken heeft met onze rijrichting. Rechts van ons bevindt zich een halfbevroren stuwmeer en links (dat is dus de kant waar je in rechtsrijdende landen als Zweden helemaal niets te zoeken hebt en die wij ons evengoed toch al geruime tijd hebben toegeëigend) bevindt zich voorbij de vangrail - die er natuurlijk niet is, dat zul je net zien – dertig meter vrije val langs de loodrechte damwand met daarna wat snelstromend water en rotsen. Achter het stuur zit de Hans Wink van Jokkmokk vrolijk te telefoneren.

Patrick draait zich om, hij gaat achterstevoren zitten en begint me iets te vertellen over Volvo. Ik heb mijn gedachten er niet helemaal bij, maar ik begrijp dat hij nogal fan is van de V70 XC en de XC90. We rijden weer rechtuit en ik kom los van het portier. Even. Dan gooit Thomas het stuur weer om en schuif ik ongewild een plaatsje op naar de andere kant. Patrick vertelt rustig verder over de kwaliteiten van vierwiel aangedreven auto’s. Op de achtergrond flitsen bevroren sparren voorbij. Er gaat opnieuw een telefoon. Thomas neemt op en begint een geanimeerd gesprek terwijl hij met zijn ‘vrije’ hand de wagen in een slip houdt. Ik zie dat Patrick’s rechterhand zich naar de versnellingspook beweegt terwijl hij mij aan blijft kijken en doorbabbelt over de geschiedenis van de Zweedse automobielindustrie. Thomas neemt iets gas terug, hij rijdt nu honderd met één hand. Patrick bedient achterstevoren zittend de versnellingspook zonder ook maar een seconde zijn verhaal over Volvo’s te onderbreken. Deze twee mensen kunnen samen blind een auto besturen. Tussen Jokkmokk en Porjus in ieder geval.

We rijden weer rechtuit. Thomas houdt nog steeds het mobieltje aan zijn oor en buigt zich voorover. Hij lijkt iets te zoeken onder de autoradio. Patrick draait zich om en neemt nu ook met één hand het stuur over. Ik zie zo’n duifachtige vogel op de weg zitten en wil Patrick daarop attent maken, maar voor ik mijn mond open kan doen hoor ik al een doffe klap en waait er een wolk donsveertjes over de motorkap. Thomas komt overeind en neemt zelf het stuur weer over. Er volgt een kort meningsverschil in het Zweeds. Patrick richt zich weer tot mij en vraagt of ik weet wat we zojuist hebben geraakt. Ik antwoord dat we nu waarschijnlijk in een brandweerauto rijden met op de neus het stoffelijk overschot van een duifachtige vogel waarvan ik de naam niet weet. “Oh, zo één, zegt Thomas. Die kun je goed eten. Echt waar!”

In Jokkmokk ligt Ájtte, het bekendste Zweedse museum over de cultuur van de Samen. Er is ook een ruimte waar opgezette dieren te zien zijn die in Lapland voorkomen. Het is allemaal erg mooi vormgegeven. Met Patrick loop ik langs de vogelsectie. “Ik zie die vogel niet, die we geraakt hebben”, zeg ik hem. “Dat klopt”, antwoordt Patrick,”maar die komen we straks nog wel tegen bij de informatie over het voedsel van de Samen". En verdomd, even later staan we voor een display met poppen waarvan er één een zak vast heeft vol met van die duifachtige vogels. Ripa, heten ze.

Motorvärmare

"Een Audi Quattro uit 2002”, zegt Patrick trots, “All wheel drive dus, door de fabriek geleverd in een verlaagde uitvoering. Harde rallyvering, zes versnellingen, max. 250 km/uur…voordat ik hem onder handen had genomen natuurlijk…(geeft me een vette knipoog). Ik heb hem zelf verder getuned”.

Als ik naast hem plaatsneem dan heeft de binnenkant in mijn ogen meer weg van een straaljagercockpit dan van een doorsnee auto interieur. Het wekt in ieder geval de indruk dat je ermee door de geluidsbarrière kunt en Patrick lijkt me bovendien een jongen die dat heel erg graag zou willen.

Om mij heen zie ik overal knopjes en rode lichtjes. Voor het besturen van deze auto heb je geen rijbewijs nodig maar een vierjarige opleiding bij NASA. Daar waar geen knopjes en lichtjes zitten - en dat zijn eigenlijk alleen de stoelen - is de auto bekleed met leer in de combinatie zwart en hardblauw. Nog voordat we opgestegen zijn voel ik mijn achterwerk onnatuurlijk warm worden. Ik vraag me af of ik soms per ongeluk (verblind door alle lichtgevende technologie om mij heen) op een doos met een afhaalpizza ben gaan zitten. Als ik mijzelf uit de aërodynamisch gevormde stoel hijs om dat te kunnen verifiëren, meldt de bestuurder:“Stoelverwarming, onmisbaar in dit klimaat. Ik zet hem altijd op de hoogste stand. Moet-ie lager?”

Hij legt me verder uit dat hij niet op spikes rijdt maar op winterbanden met een high-tech profiel en dito coating. Banden die gemaakt zijn om met hoge snelheid over ijs te racen en die voor dat doel nog beter geschikt zijn dan spikes. Banden die, begrijp ik ook uit zijn verhaal, per stuk de maandelijkse huur van mijn nieuwe onderkomen bedragen.

Patrick lijkt in ieder geval verstand te hebben van auto’s, en terug op de kazerne besluit ik hem te vragen naar die motorwarmer. Waar moet dat ding precies ingestoken worden? Dat is heel simpel volgens Patrick. Hij loopt naar een computer en tovert een foto tevoorschijn van een Corvette Stingray met geopende motorkap, waarop hij aanwijst waar de motorwarmer moet komen. “Bij de meeste auto’s zit hij hier ongeveer”, vervolgt hij,”Waar rijd jij eigenlijk in?”

Die vraag probeer ik quasi professioneel te beantwoorden:”Een Ford Transit uit ’95. Diesel, rear wheel drive...ook zes versnellingen...als je de achteruit meerekent. Harde vering ook trouwens, en max. 130 km/uur. Zelfs nog wat harder als je bergaf gaat. Ik ga hem natuurlijk zelf nog verder tunen”. Ik geef hem een vette knipoog, maar de grap komt geloof ik niet helemaal over. Of helemaal niet, eigenlijk. Patrick staart me wezenloos aan. “Een diesel?”, vraag hij tenslotte;“Tja, dan weet ik het ook niet”. Gedesillusioneerd loopt hij weg.