In het Zweeds heet een sprookje een saga. Het verhaal dat ik jullie nu ga vertellen is ‘De wonderbaarlijke kerstsaga’. We gaan ervoor naar het Midden-Oosten, ver — echt ver — terug in de tijd. Om heel precies te zijn begint dit sprookje op 25 december in het jaar 16 na Christus. Het Romeinse keizerrijk strekte toen tot diep in de woestijnen van het Midden-Oosten. Daar, tegen de helling van een heuvel in het noorden van de provincie Galilea, lag een stoffig dorpje met de naam Nazareth.
In dat dorpje woonde een jongen die zijn 16e verjaardag vierde, stomtoevallig op eerste kerstdag. Zijn naam was Jezus, en er was eigenlijk niet zoveel bijzonders over hem te vertellen. Net als alle andere jongens van zijn leeftijd ging hij naar school en hielp hij zijn vader graag in de timmerwerkplaats. Verder speelde Jezus het liefst met zijn vrienden. Hij hield van voetballen, vissen en kampeervakanties. Jezus had een hekel aan spruitjes, natuurkunde en Romeinen.
Eigenlijk is het niet leuk om juist met kerst jarig te zijn, bedacht Jezus. Iedereen is al zo druk met alle andere feesten dat je nooit dezelfde aandacht krijgt als mensen die bijvoorbeeld in april of september jarig zijn. Toch was het al best een leuke dag geweest. Zijn vader en moeder hadden hem wakker gemaakt met ontbijt op bed, en hij had een handgeschreven boek van ze gekregen over het boeddhisme. Daarna waren zoals altijd alle buren op visite geweest, behalve de vervelende buurvrouw die een paar keer de voetbal van Jezus had lekgeprikt nadat die per ongeluk bij haar in de achtertuin terecht was gekomen.
Oom Balthasar, oom Caspar en oom Melchior waren natuurlijk ook weer langsgekomen. Voor oom Melchior, die nu toch echt een dagje ouder werd, was het wel een hele reis op de kameel. Hij had bij de koffie een beetje over zijn rug geklaagd, maar Jezus merkte ook dat dit een uitje was waar zijn ooms het hele jaar enorm naar uitkeken.
“Voor mijn lievelingsneef!”, zei oom Balthasar toen hij Jezus zijn verjaardagscadeau overhandigde.
Eigenlijk kon Jezus al wel raden wat erin zat, want zijn ooms waren — om het zo maar eens te zeggen — weinig creatief met hun cadeautjes. Het goud had Jezus altijd zorgvuldig verstopt, met de mirre wist hij zich eigenlijk niet zo goed raad, en van de wierook had hij samen met zijn vrienden rookbommen gemaakt die ze dan op oudejaarsdag bij de vervelende buurvrouw door de brievenbus gooiden.
Volgens de Romeinse wet mochten jongeren in Galilea vanaf hun 16e op een ezeltje rijden. Jezus had van het goud dat hij door de jaren heen had gespaard een prachtig ezeltje gekocht in een hippe grijsbruine kleurencombinatie. Citta heette ze. Door alle drukte had hij nog geen tijd gehad om op haar te rijden, maar nu het laatste bezoek huiswaarts was gekeerd, besloot hij een rondje door het dorp te maken. Zelfs midden in de winter was het overdag nog aangenaam warm in Galilea en Jezus genoot van het ritje op Citta. Na een uurtje stopte hij bij het huis van zijn goede vriend Judas, die hij nog kende van de basisschool. Judas had ook een ezeltje, dat luisterde naar de naam Gilera. Ze was wel wat ouder en niet zo mooi als het ezeltje van Jezus. De vrienden omarmden elkaar en Judas feliciteerde Jezus met zijn verjaardag. Judas keek een beetje jaloers naar het prachtige ezeltje waarop Jezus was komen aanrijden.
“Mooi hoor, maar ik heb ergens gehoord dat die nieuwe modellen altijd problemen hebben met hun derailleur.”
“Oh”, zei Jezus, die eigenlijk niet zoveel verstand had van ezeltjes.
Ze zaten een poosje zwijgend in de avondzon op de veranda voor het huis. Plotseling zei Judas: “Wist je dat je ezels een stuk harder kunt laten lopen als je ze suikerriet voert?”
Jezus keek hem verbaasd aan: “Echt waar?”
“Ja joh”, vervolgde Judas, die een bosje suikerrietstengels tevoorschijn haalde. Gretig begonnen Citta en Gilera het riet op te eten.
Toen ze de laatste restjes naar binnen hadden geschrokt, stelde Judas voor om een rondje door het dorp te rijden. Het begon al een beetje te schemeren en het was druk op straat. Buren, vrienden en familie wensten elkaar in het voorbijgaan een prettig kerstfeest. Jezus en Judas lieten hun ezeltjes door de hoofdstraat draven en staken trots hun hand op naar alle bekenden die ze tegenkomamen.
“Harder!”, riep Judas, terwijl hij Gilera flink de sporen gaf.
Voor Jezus er erg in had, galoppeerden ze een buitenwijk in. Dat een ezeltje zo snel kon gaan! Zijn lange haar wapperde in de koele avondbries, en hij voelde zich intens gelukkig. Wat was dit een heerlijke dag!
In volle vaart namen ze op de grote rotonde de afslag richting Bethlehem. Daar werden ze ingehaald door een strijdwagen met twee Romeinse soldaten erin. De bijrijder stak dreigend zijn zwaard in de lucht en brulde: “Stoppen!”
In een wolk van stof kwamen ze allemaal tot stilstand op een parkeerplaatsje.
“Afstappen!”, beval de Romein met het zwaard.
Jezus en Judas voelden de bui al hangen. Ook de andere Romein kwam er nors bij staan: “Waar denken de jongelui precies mee bezig te zijn?”
“Sorry meneer”, stamelde Jezus, “we gingen inderdaad een beetje te hard.”
“Een beetje? Een beetje?”, blafte de ene Romein. “Als jullie willen galopperen dan wacht je maar tot je 18 bent en op een paard mag rijden.”
“Juist”, bromde de andere soldaat, “bovendien kunnen ezeltjes helemaal niet galopperen, tenzij je ze suikerriet voert natuurlijk, en dat is bij keizerlijk decreet ten strengste verboden.”
Judas wees naar Jezus en zei: “Het was zijn idee!”
Eén van de Romeinen haalde een notitieblok tevoorschijn: “Namen!”
“Jezus Christus”, zei Jezus.
“Ernst Hirsch Ballin”, zei Judas.
De Romeinen knikten even naar elkaar en toen zei de ene: “Nou, Jezus en Ernst, jullie staan genoteerd stelletje schavuiten. De volgende keer dat we jullie tegenkomen dan zwaait er wat. En nu wegwezen!”
Met hun ezeltjes aan de hand liepen Jezus und Judas terug het dorp in.
Die avond verzamelden de beste vrienden van Jezus zich in de herberg op het dorpsplein van Nazareth om zijn verjaardag te vieren. Ze vormden al jaren een onafscheidelijk viertal: Thomas, Petrus, Judas en Jezus. Het werd een memorabele afsluiting van wat toch al een heerlijke dag was geweest. Jezus trakteerde zijn vrienden op appelsap en aardbeientaart.
“Nu we toch allemaal een ezel hebben, zou het dan niet leuk zijn om eens samen op vakantie te gaan?”, stelde Petrus voor.
Zijn vrienden knikten instemmend.
“Maar waar wil je dan naartoe?”, vroeg Thomas.
Even was het stil.
“Ik heb wel goede verhalen gehoord over Lapland”, zei Jezus ineens.
Het kostte hem weinig moeite om zijn vrienden te overtuigen. Ze hieven de glazen en riepen: “Op naar Lapland!”
Een week later was de dag van vertrek aangebroken voor de jongens. Allemaal hadden ze hun ezeltjes bepakt en bezakt met kampeerspullen. Voor het eerst trokken ze samen de wijde wereld in, zonder vaders of moeders. Wat een avontuur! De eerste dagen van de reis genoten ze met volle teugen van het vrije leven. Ze overnachtten op de meest fantastische plekken en vertelden elkaar spannende verhalen bij het kampvuur. Het landschap was adembenemend mooi en de wegen waren goed begaanbaar. Al snel arriveerden ze in Anatolië, een gebied dat nu Turkije heet.
“Hoe vinden we Lapland eigenlijk?”, vroeg Judas op een dag.
Daar moesten ze even over nadenken.
“Krijgen die ooms van jou niet altijd hulp van de een of andere ster als ze bij je op visite komen?”, vroeg Judas.
“Ja joh”, zei Jezus, “we moeten alleen even weten welke ster we moeten volgen, het zijn er zo veel.”
“Mag ik wat zeggen?”, klonk er ineens een vreemde stem.
De vrienden keken om en zagen een kleine gele beer met een rood truitje langs de weg staan.
“Met wie hebben we het genoegen?”, vroeg Petrus.
Het beertje keek hem lang aan en zei toen: “Ik ben maar een beer met een klein beetje verstand en van lange woorden raak ik in de war. Oh, en mijn naam is Winnie. Winnie de Poeh.”
“Ben je verdwaald?”, vroeg Jezus.
“Ik ben niet verdwaald, want ik weet waar ik ben, maar misschien is waar ik ben wel verdwaald”, antwoordde Winnie de Poeh.
“Nou, beste beer zonder verstand, wij moeten weer verder, want wij gaan naar Lapland”, zei Judas, die zich al omdraaide om weg te rijden.
“Juist”, zei Winnie, “daar kom je voorbij op weg naar de noordpool. Dan moet je de poolster volgen. Dat weet ik want ik ben er geweest. Op de noordpool bedoel ik.”
Jezus vroeg of Winnie de Poeh soms met hen mee wilde reizen. Dat wilde de kleine beer wel. Met een beetje moeite klom hij bij Jezus achterop de ezel.
“Moet hij echt mee?”, vroeg Judas.
“Ja”, antwoordde Jezus, “hoe meer zielen, hoe meer vreugd, en bovendien kan hij ons helpen de weg te vinden naar Lapland.”
“Godverdomme”, mopperde Judas, “ik wist trouwens niet eens dat beren konden praten!”
Vanachter Jezus' rug klonk de stem van Winnie de Poeh: “Er zijn wel mensen die met dieren praten, maar er zijn weinig mensen die naar dieren luisteren, dat is het probleem.”
Met z'n vijven trokken ze verder richting het noorden. Het viel hen op dat het langzaam frisser begon te worden en ’s nachts kropen ze steeds dieper onder hun schapenvellen. In Galilea waren ze maar twee seizoenen gewend: de droge periode en de gortdroge periode. Hun geboortegrond bestond vooral uit woestijn en het was er altijd warm. Toen ze in het land van de Goten kwamen begon het echt groen te worden; zoveel bomen hadden de vrienden nog nooit bij elkaar gezien. En zo groot ook! Alsof ze tot in de hemel reikten. Ze waren toch al zeker een maand van huis, toen ze op een middag zaten te picknicken bij een grote beuk. In de verte zagen ze drie figuren aankomen: een klein kereltje met een gele snor, een grote vent met rode vlechtjes in zijn haar en een wit hondje dat vrolijk vooruit huppelde. Even later stopten de vreemdelingen bij de beuk waar de vrienden zaten.
Die met de rode vlechtjes lijkt eigenlijk best wel op Gérard Depardieu, dacht Thomas, die dat natuurlijk helemaal nog niet kon weten. Wat is die grote verschrikkelijk dik, dacht Jezus. Maar zijn ouders hadden hem wel zo netjes opgevoed dat hij beleefd besloot om er zijn mond over te houden.
“Man, wat ben jij dik”, zei Judas.
De reus met de rode vlechtjes trok een verbaasd gezicht en drukte zijn wijsvinger in zijn bolle buik: “Dik?”, vroeg hij geïrriteerd, “ik ben niet dik, hooguit… een beetje gezet!”
Jezus probeerde de gemoederen wat tot rust te brengen en stak his hand uit naar de twee vreemdelingen. “Mijn naam is Jezus Christus.”
Het kleine mannetje schudde hem de hand en zei: “Aangenaam, ik ben Asterix de Galliër.”
Met duidelijke tegenzin deed nu ook de reus een stapje naar voren en stak zijn enorme knuist uit: “Obelix”, bromde hij met een norse blik op Judas.
De avond viel al vroeg in dit deel van de wereld en ze besloten met z'n allen te kamperen aan de oever van een meertje. Het werd al snel gezellig omdat Obelix een everzwijn tevoorschijn toverde dat ze bij een kampvuur braadden en met elkaar deelden. Asterix vertelde prachtige verhalen over al zijn reizen. Jezus deed ook een duit in het zakje door de dag te beschrijven waarop hij samen met Judas bijna was gearresteerd door de Romeinen omdat ze te hard hadden gereden op hun ezeltjes.
“Rare jongens die Romeinen”, zei Obelix.
“Ja, dat vinden wij nou ook”, antwoordde Jezus.
Zonder dat ze het verder met elkaar hoefden te overleggen, besloten ze allemaal om samen verder te reizen. Die avond viel het hele gezelschap moe maar voldaan in slaap onder een adembenemende sterrenhemel. De poolster schitterde het helderst van allemaal.
Een maand later waren ze midden in het land van de Noormannen. Ze maakten er een boottocht op een drakenschip en logeerden bij oude bekenden van Asterix en Obelix. Iedereen genoot met volle teugen van het indrukwekkende landschap. De lente was aangebroken maar er lag overal sneeuw, iets dat Jezus en zijn vrienden nog nooit van hun leven hadden gezien. Natuurlijk kon een sneeuwballengevecht niet uitblijven. Het begon met Judas die een grote klodder natte plaksneeuw in de nek van Obelix mikte.
Obelix draaide zich woedend om en vroeg: “Wie was dat?”
Judas wees meteen naar Winnie de Poeh en zei: “Die kleine daar!”
Al snel vlogen de sneeuwballen over en weer, iedereen deed mee. Thomas raakte Petrus vol op z'n smoel en Asterix wist met een prachtig boogje een sneeuwbal op het hoofd van Jezus te krijgen. Winnie maaide met zijn pootjes dikke wolken stuifsneeuw in de richting van iedereen die bij hem in de buurt kwam. Obelix tilde een hele iglo boven zijn hoofd die hij toevallig ergens zag staan en hij was net van plan om die bovenop Judas te mikken toen Asterix riep: “Ho vriend! Zo is het mooi geweest!”
Ze lieten zich allemaal lachend op hun rug in de sneeuw vallen om uit te blazen.
Net toen ze weer op pad wilden gaan landde er een witte gans bij het gezelschap.
“Sorry, kunnen jullie me helpen?”, vroeg de gans.
“Een pratende gans, het moet niet gekker worden!”, riep Thomas uit.
Winnie de Poeh liep op de gans af en vroeg vriendelijk waarmee hij kon helpen.
“Er zit een vos achter ons aan en we zijn een beetje bang”, klonk het.
Ook de anderen kwamen om de gans heen staan.
“Zeg”, zei Jezus ineens, “er zit een klein mannetje op zijn rug, met een rood mutsje.”
“Tjongejonge”, zei het kleine mannetje dat op de rug van de gans zat, “natuurlijk praat mijn gans niet met jullie. Een gans die met grote mensen praat? Zoiets raars heb ik nog nooit gehoord! Mijn naam is Nils trouwens, Nils Holgersson. Ik ben op weg naar Lapland maar ik ben mijn andere ganzenvrienden kwijtgeraakt.”
“Nou”, zei Jezus, “dat geeft niets, dan reis je toch gewoon met ons mee!”
“Gáhk! gáhk!” deed de gans.
“Wat zegt hij?”, vroeg Winnie de Poeh.
Nils vertaalde voor het gezelschap dat de gans erg moe was en het geen onaantrekkelijk vooruitzicht vond om verder te reizen op de rug van een ezel.
“Geen onaantrekkelijk vooruitzicht”, mompelde Winnie de Poeh, “het is toch echt een stuk leuker om te praten met iemand die geen lange, ingewikkelde woorden gebruikt, maar korte, makkelijke woorden, zoals: heeft er iemand zin om wat te eten?”
Not veel later zaten ze allemaal om een kampvuur brood te eten met zalm die Petrus in een rivier gevangen had: Asterix en Obelix, het hondje Idefix, Thomas, Petrus, Judas en Jezus, Winnie de Poeh, de witte gans, vier ezels en Nils Holgersson.
“Wat een bont gezelschap”, zuchtte Thomas, “het is echt ongelooflijk.”
Bijna vier maanden nadat ze waren vertrokken uit Galilea, arriveerden de vier vrienden en hun medereizigers in Lapland. Op aanraden van de lokale bevolking wandelden ze door naar een klein dorpje met de naam Tjautjasjaure, dat erg mooi moest zijn. Er lag nog een dik pak sneeuw, maar gelukkig was het overdag niet zo koud. Tenminste, niet zo koud dat de ezeltjes ’s ochtends niet op gang wilden komen, maar toch echt vééél kouder dan de vier jongens uit Galilea ooit hadden meegemaakt. Eenmaal in Tjautjasjaure worden ze hartelijk ontvangen door de dorpsbewoners, die allemaal in houten huisjes woonden bij een groot meer. De huisjes waren geschilderd in vrolijke kleurtjes: geel, blauw, roze en vooral ook veel rood.
Het hele reisgezelschap mocht logeren bij Deuntje Driftsäker, een jonge man die viool speelde en die in een klein huisje woonde aan de rand van het dorp. Deuntjes huis was echt piepklein en bestond eigenlijk maar uit één kamer, met in het midden een houtkacheltje. Gelukkig had de vioolspeler ook nog een gastenverblijf met stapelbedden, waar twintig mensen konden overnachten. Naast het gastenverblijf was een sauna en daar hadden de reizigers noch nooit van gehoord. Deuntje liet hen zien hoe je een vuurtje maakt in de sauna en dan water op de stenen gooit om het lekker warm te maken.
De mensen in Tjautjasjaure hadden nog wel meer bijzondere gebruiken, die helemaal nieuw waren voor het reisgezelschap. Ze zeiden bijvoorbeeld gewoon ‘nee’ als ze ‘nee’ bedoelden, maar als ze ‘ja’ bedoelden dan zeiden ze geen ‘ja’. In plaats daarvan deden ze zo: “Sssst.”
Ze zeiden dat dat was omdat het altijd zo koud is in Lapland en je moet zorgen dat je de warme lucht in je longen niet kwijtraakt. De dorpsbewoners aten het liefst aardappels met rendiervlees of elandvlees en bosbessenjam. En de reizigers leerden ook dat mensen in Lapland nooit vragen hoe oud je bent, want dat vinden ze een beetje onbeleefd. In plaats daarvan vragen ze: “Van welk jaar ben jij?”
Voor Jezus was die vraag altijd makkelijk te beantwoorden omdat hij toevallig van een jaar was dat iedereen goed kon onthouden.
Op een dag, net na een ontbijt van boterhammen met bosbessenjam, vroeg Deuntje aan zijn gasten of ze geen zin hadden om te gaan wandelen. Het had een poosje gedooid, maar nu vroor het weer een beetje, en de sneeuw knarste onder hun voeten.
“Goh”, zei Petrus, “het water in het meer ziet er helemaal niet uit zoals het water bij ons thuis in Nazareth.”
“Dat komt omdat het ijs geworden is”, verklaarde Deuntje.
“IJS?”, vroeg het hele gezelschap in koor.
“Ja”, zei Deuntje, “het is nog steeds water, maar dan heel koud en keihard. Je kunt er zelfs op lopen.”
“Ik geloof er niets van”, zei Thomas.
Jezus zei dat hij dat dan wel eens wilde proberen. “Wie durft er met me mee?”, vroeg hij.
“Mij niet gezien!”, riep Judas.
Ook de anderen deden een stapje achteruit. Jezus liep door de sneeuw naar de oever van het meer en zette voorzichtig zijn voet op het water. En toen ook zijn andere voet. Hij deed langzaam een stapje, en nog een stapje, en nog één, totdat hij echt midden op het meer stond. Onder zijn sandalen zag hij vissen zwemmen. Zijn vrienden stonden vol verbazing toe te kijken vanaf de kant. Alleen Petrus wilde het ook eens proberen en liep naar de waterkant.
“Voorzichtig!”, riep Deuntje nog, “het ijs is daar erg dun!”
Maar het was al te laat. Met een kraak en een plons verdween Petrus tot aan zijn middel in het koude water. Jezus rende naar Petrus om hem te helpen en samen met Deuntje trokken ze de bibberende Petrus op het droge. “Snel naar de sauna!”
Even later zaten Thomas, Petrus, Judas en Jezus in de snikhete sauna. Deuntje had glaasjes glögg voor ze ingeschonken: een warm drankje waar een beetje alcohol in zit en waar je lijf helemaal blij van wordt, vooral als je net in ijskoud water bent gevallen. Petrus voelde zich al snel beter.
“Hé, mijn glaasje is leeg, en ik had er nog helemaal niets van gedronken”, zei Thomas.
“Dat is raar”, zei Jezus, “mijn glaasje is ook leeg.”
“Heejl vrjeemd”, zei Judas, die al behoorlijk dronken begon te worden.
Een poosje zaten de vier vrienden in de warme sauna voor zich uit te kijken. Vanuit het gastenverblijf klonk vioolmuziek en een liedje dat werd gezongen door Winnie de Poeh, Nils Holgersson, Asterix en Obelix.
“Nu hebben we in ieder geval één vriend die over water heeft gelopen”, zei Petrus tegen Jezus.
“Djit isj egjt eejn bjijzondjere rjeis”, zei Judas.
“Ja, ongelooflijk”, zei Thomas, “je zou er een boek over kunnen schrijven.”
“Misschien...” zei Petrus, “...ga ik dat nog wel eens doen.”
